Posts tonen met het label God. Alle posts tonen
Posts tonen met het label God. Alle posts tonen

donderdag 14 december 2017

(Ver)wonderen

Hoe gaat het? 


Donderdagmiddag half 5. Ik bel aan bij Aat en Lia. Eén keer in de twee weken op donderdag ga ik bij Lia langs. Ze zit in haar rolstoel bij de eettafel. Aat schenkt koffie in en we kletsen even over hoe het gaat. Raar trouwens om de vraag ‘Hoe gaat het?’ te stellen aan iemand die lijdt aan MS en die niet veel meer kan dan haar hoofd gebruiken. Vrijwel alle lichaamsfuncties zijn uitgevallen in de loop van vele jaren. Eten en drinken kan Lia nog, als er tenminste iemand in de buurt is die haar helpt om het voedsel in haar mond te krijgen.

Geen grappen God


Aat vertrekt na de koffie richting het centrum en Lia en ik praten met elkaar. ‘Ik ben een boek aan het lezen’, vertelt Lia. Ik realiseer me dat een boek lezen voor mij iets heel anders betekent dan voor Lia. Ik ga vaak als een malle door een boek heen. Mijn ogen vliegen over de regels, ik sla stukken over die ik niet interessant vind, soms val ik in slaap als ik lees en ga ik de volgende dag weer verder waar ik gebleven was.

Als Lia een boek leest staat het boek op een leesplankje voor haar en moet ze na iedere pagina vragen of iemand de bladzijde wil omslaan. Lia leest ‘Geen grappen God’ van Corlien Doodkorte. Ik ken het boek, heb het toen het nog maar pas uitgekomen was, in één adem uitgelezen. In het boek vertelt Corlien hoe ze door een wonder van God voor de dood wordt weggerukt en voor 90% geneest van inmiddels vergevorderde Parkinson. Ik stel voor om een stuk voor te lezen, pak het boek uit de boekenkast en kijk waar de bladwijzer ligt.

Leven na een wonder

In ‘Geen grappen God’ is Lia aangekomen bij het gedeelte na het wonder. De artsen hebben het wonder bevestigd, Corlien kan allerlei dingen die ze jarenlang niet meer kon, medicijnen worden afgebouwd en toch... Ze voelt zich verward, vervreemd. Leven met een ernstige ziekte, afscheid nemen van vrienden en familie, daar had Corlien haar weg in gevonden. Maar nu opeens is alles anders. Er is weer levensverwachting, maar dat leven weer omarmen, durven geloven dat het wonder blijvend is, dat er weer tijd hier op aarde is, dat blijkt moeilijk te zijn.

Ik lees voor en af en toe stop ik even. Dan praten we samen over wat we gelezen hebben. Hoe zou het zijn als je zo’n wonder meemaakt? Stel je voor dat Lia morgen weer zou kunnen lopen en haar handen weer zou kunnen gebruiken. Het is niet voor te stellen en we kunnen ons de moeite van Corlien met het wonder goed indenken.

Ik lees verder. Over de worsteling met het wonder. Natuurlijk is er dankbaarheid, ook van mensen om haar heen. Tegelijk zijn er ook zoveel vragen. Waarom zij wel, en zoveel anderen niet? Hoe kan het dat er voor iemand jaren gebeden wordt en er niets gebeurt en bij haar wel? En wat als de ziekte terugkomt?
We praten er samen over door. Wat is er ook voor Lia veel gebeden. Wat heeft ze zelf gebeden en is er door anderen gebeden. En nog steeds. Wat een teleurstelling kan dat ook opleveren. Of twijfel. Bid ik wel goed genoeg? Geloof ik wel genoeg? Het zijn allemaal menselijke vragen waar geen sluitend antwoord op komt.

Verwonderen

Voor mij is Lia een voorbeeld. Wat heb ik in de loop van de tijd dat ik bij haar kom diep respect gekregen voor deze gelovige vrouw. Zo zou zij zichzelf nooit beschrijven, maar ik ben onder de indruk van dit prachtige mens. Zoals zij haar ziek zijn draagt, hoe ze langzaam maar zeker haar zelfstandigheid heeft in moeten leveren, nu volledig afhankelijk is van de zorg van anderen en hoe door alles heen haar geloof in God stand heeft gehouden.

Ik gun Lia ook zo’n wonder, zo’n Goddelijk ingrijpen. Tegelijk besef ik dat een wonder van genezing misschien spectaculair lijkt, maar dat het getuigenis van Lia, hoe zij leeft met God ondanks haar ziekte misschien nog wel een veel groter wonder is. Wij denken zo menselijk, zo ‘als het met ons maar goed gaat’. We vergeten dat juist in de moeilijke periodes van ons leven we bijzondere ontmoetingen met God hebben. Dat hoe donkerder het in ons leven is, hoe helderder het Licht kan schijnen in ons leven. Nee, niet altijd, lees de psalmen maar. Maar eerlijk is eerlijk, als het ons voor de wind gaat, we succesvol zijn en alles van een leien dakje loopt, hebben we God helemaal niet nodig en vergeten we maar al te snel hoeveel we aan Hem te danken hebben.

Al lezend en pratend verwonder ik me. Wat hebben wij een supergave, trouwe, onnavolgbare, verrassende, genadige, liefdevolle God die betrokken is bij ons leven. Eén van mijn favoriete bijbelteksten komt in mijn gedachten:

Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. (Jesaja 55:8-9)

Een tijd om te dansen

Als Aat weer thuis komt ronden we ons gesprek af. Ik ga op huis aan en zal over twee weken weer terug komen. Zal er in de tussentijd een wonder gebeuren? Op de fiets gaan mijn gedachten terug naar bijna een jaar geleden. Mijn boek ‘Adem in, Adem uit’ kwam uit en op een feestelijke avond mocht ik het eerste exemplaar én een ingesproken versie aan Lia overhandigen. Ik wilde mijn boek aan haar opdragen. Als dank voor wie zij is, en als bemoediging omdat ik zeker weet dat ook voor Lia er een dag komt dat zij weer gezond zal zijn. Misschien hier op aarde, misschien straks, thuis bij onze God en Vader.

Als ik thuis ben haal ik mijn boek uit de kast en sla het open op de eerste pagina:

‘Voor Lia, 
Er komt een tijd 
dat ook jij kunt dansen.’ 

Tot die tijd wil ik doen wat ik kan, dankbaar zijn met hen die een wonder meemaken, meeleven en meelijden met hen die op wat voor manier ook lijden en vol verwachting en verwondering dit leven leven.

Meer lezen?

Geen grappen God. Worstelen met wonderen (Corlien Doodkorte)
Adem in, Adem uit. Leven in het ritme van Prediker 3 (Judith Stoker)
Beide boeken zijn te bestellen in de webshop van Vrij Zijn.

woensdag 29 november 2017

Plaatsvervangend excuus

Open brief

Precies een maand geleden schreef ik een open brief aan voorgangers en predikanten en andere mensen met een leidinggevende positie. Ik riep hen op om het taboe op seksueel misbruik te doorbreken en voor slachtoffers op de bres te gaan staan.

Er kwamen talloze reacties, soms openbaar, maar vooral in privéberichten van mensen die zich herkenden in mijn verhaal. Het verhaal van misbruik en het gebrek aan reactie en erkenning. Eenzame en verdrietige verhalen van onrecht en niet gehoord worden. De brief werd zo’n 4500 keer gelezen, wat veel lijkt, maar eigenlijk niet zo heel veel is als je bedenkt hoeveel christenen ons land telt.

Een stem zijn

Door de reacties van zoveel mensen te lezen werd ik geraakt en kwam mijn verlangen om een stem te zijn voor hen die niet durven of kunnen spreken weer boven. Om erkenning te geven aan anderen, om anderen te stimuleren ook met hun verhaal naar buiten te komen en om iedereen te laten zien dat het mogelijk is om ondanks een heftig verleden nu te kunnen genieten van het leven.

Een paar weken geleden werd ik benaderd door ‘Vrouw.nl’ met de vraag of ik mijn verhaal wilde doen. Ik kende Vrouw niet, maar het bleek een onderdeel te zijn van een krant met daarnaast ook allerlei nieuwsberichten. Vorige week had ik een interview met hen en gister stond het artikel online.

Weer kwamen er allerlei reacties. Vooral reacties van mensen die me moedig, sterk en krachtig vonden. Ook reacties vol afschuw. Waarom had niemand het voor mij opgenomen? Waarom hadden mijn ouders en de kerk destijds gezwegen in plaats van mij te steunen en mij te helpen aangifte te doen?

Kintsukoroi 

Vanmorgen plaatste ik een berichtje op mijn facebook tijdlijn. Ik had er behoefte aan om te relativeren. Mensen noemen mij sterk en moedig. Misschien is dat zo, maar ik ben me er ook zo van bewust dat het niet alleen dankzij mezelf is dat ik nu als een krachtige (en ook kwetsbare) vrouw in het leven sta. Het is ook dankzij de genade van God die keer op keer mensen op mijn weg bracht die me verder hielpen.

Ik zie mezelf als een voorbeeld van Kintsukoroi. Gebroken door het leven, door onrecht, door wat mensen deden of nalieten. Maar met gouden randjes gelijmd tot een prachtig en bruikbaar mens. De liefde en trouw van God zijn die gouden randjes in mijn leven. Zichtbaar geworden door velen die onvoorwaardelijk van mij hielden en houden en met mij begaan waren.

Ik weet zeker dat dit niet alleen voor mij is weggelegd, maar dat iedereen die met de brokstukken van zijn leven bij God komt kan herstellen tot iets prachtigs.

Excuus namens de kerk

Vanmiddag was ik aan het werk in mijn praktijk. Nadat mijn laatste bezoeker was vertrokken checkte ik even mijn mail. Er was een mailtje van een voor mij onbekend iemand met als titel: ‘Bericht op internet’. Ik opende het bericht en scande even snel het bericht. Mijn hart sloeg even over en ik begon overnieuw met lezen. Er liepen tranen over mijn wangen.

Geachte mevrouw Stoker, Mijn naam is ... en ik ben missionair predikant.... Uw verhaal op internet over misbruik door uw broer met alle gevolgen van dien heb ik gelezen. Aangrijpend en onvoorstelbaar hoe mensen op u en uw verhaal gereageerd hebben. Bijzonder hoe u uiteindelijk door alle dingen heen gegaan bent en wat het u nu gebracht heeft.

Dat wilde ik graag even tegen u zeggen en hoewel ik niets met die reactie vanuit de kerk te maken heb, zou ik u toch namens de kerk excuus willen aanbieden. (ik voel een soort plaatsvervangende schaamte). Ik weet niet of uzelf nog iets hebt met de kerk en met het geloof in God, maar ik wens u van harte Zijn zegen toe, voor u en uw man en ook voor het werk dat u doet.

Erkenning

In al die jaren is mij dit nog nooit overkomen. Het raakt me diep. Dat iemand de moed heeft om als predikant namens de kerk excuus aanbiedt. Dat iemand de woorden spreekt die nooit geklonken hebben. Wat bijzonder en wat ben ik daar dankbaar voor. Het voelt voor mij als erkenning van mijn verhaal. Eindelijk, na zoveel jaren komt er een reactie vanuit de kerk. Nee, niet de kerk waar het plaatsvond, maar dat doet er voor mij niet toe. Ik mailde de predikant terug. Een stuk uit mijn mail:

Beste dominee,

Heel hartelijk bedankt voor uw mail. Ik was op mijn werk en las daar het bericht nadat mijn laatste cliënt vandaag vertrokken was. Ik ben er enorm door geraakt en heb achter mijn bureautje wel even gehuild. Dank u wel voor uw woorden en uw excuus namens de kerk. Nog nooit eerder is er iemand geweest die daarop terug gekomen is en die (ook al is het plaatsvervangend) gezegd heeft hoe het hem spijt wat er gebeurd is. Dit nu te lezen is helend en voelt voor mij als een erkenning die er nooit geweest is.

Het geloof in God ben ik nooit kwijtgeraakt. Sterker nog, ik heb in mijn leven ervaren dat God ten goede kan keren wat door mensen beschadigd is. Hij heeft steeds mensen op mijn pad gebracht die mij hielpen in mijn herstel en die mij erop wezen dat God mij kon en wilde helen. Ik ben dankbaar dat ik nog leef, want ik ben door ernstige depressies gegaan, en het is nu mijn passie om datgene wat ik zelf ontvangen heb weer door te geven. Ik wil graag een stem zijn voor hen die nog niet durven of kunnen spreken...

Het is mijn verlangen dat ik door mijn verhaal te delen, maar vooral te delen van het herstel en de mogelijkheid om je verleden te boven te komen, anderen hoop kan geven zodat ze in hun levens ook zullen ervaren dat God zo anders is dan wat Zijn grondpersoneel soms laat zien. Ik wens u ook zegen op uw werk. Hartelijk dank dat u deze mail wilde sturen. Balsem op een gevoelige plek in mijn leven.

Hartelijke groet,
Judith Stoker

Nogmaals een oproep

Ik ben ontroerd en geraakt door deze mail en geef hem graag door aan iedereen die zich herkent in mijn verhaal, op welke manier dan ook. Het is zo mooi dat na zoveel ‘doofpot affaires’ en ‘mantels der liefde’ nu een predikant de moed heeft om te erkennen dat dit nooit had mogen gebeuren. Het is mijn wens en hoop dat dit het begin is. Dat er meerdere predikanten en voorgangers dit voorbeeld zullen volgen en erkenning zullen geven aan het onrecht dat er in hun gemeenten plaats vond. Dat ze excuses zullen aanbieden aan de slachtoffers, ook al is het al jaren geleden. Goed voorbeeld doet goed volgen!

Mijn vraag aan jullie is om deze blog te delen, met je vrienden, met de leiding van je gemeente, met je voorganger of predikant. Ook als je niet misbruikt bent, juist dan, want daarmee sta je op de bres voor hen die dit overkwam.

Als predikanten en voorgangers erkenning geven aan slachtoffers en excuus aanbieden help je slachtoffers om verder te komen in hun herstelproces. Krijgen ze ruimte om met hun verhaal te komen en wordt er verzorgende, helende olie gegoten in een wond die zo vaak nog open ligt.

Bedankt dominee voor uw moed!

dinsdag 21 november 2017

What's in a word?

Mensen met een homoseksuele relatie mogen binnen de Protestantse Kerk Nederland trouwen. Maar nog steeds is er een verschil tussen het homo- en heterohuwelijk: het homohuwelijk wordt gezegend in plaats van ingezegend.

Inzegenen-zegenen-uitzegenen 

Ik kan er niets aan doen, maar de hele dag spoken deze woorden al door mijn hoofd: Zegenen, inzegenen, zegenen, inzegenen, zegenen… Hetero’s mag je inzegenen als ze trouwen, homo’s mag je zegenen als ze trouwen. En als ik in een openbaar postje ga vertellen hoe ik er over denk word ik misschien wel uitgezegend door de kerk waar ik bij ingeschreven sta, denk ik er op een goed moment achteraan.

Kwetsbaar

Gisterochtend kwam ik het eerlijke en kwetsbare artikel tegen van dominee Anne-Marie van Briemen. Een dominee uit één plaatsje verderop. Ik ken haar niet maar had het afgelopen jaar in de wandelgangen al geruchten gehoord: ‘Die dominee uit Boskoop, die blijkt lesbisch te zijn…’ Nu las ik het artikel in de krant. Een inkijkje in haar leven en worsteling met haar lesbisch zijn in combinatie met haar predikant zijn. Het bevestigde mijn kijk op homoseksualiteit en geloof. Die is na het lezen van diverse boeken over dit onderwerp heel wat genuanceerder geworden. En na het lezen van het artikel kijk ik uit naar meer predikanten, voorgangers, maar vooral mensen (met wat voor titel dan ook) die zichzelf niet langer hoeven te verbergen.

Synode 


Goed, de synode van de PKN (ik moet bij het woord synode altijd aan het woord ‘sanhedrin’ denken, maar dat terzijde), toch wel één van de grootste protestantse groeperingen in ons land, heeft zich gebogen over het vraagstuk: ‘Wat te doen als homoseksuele stellen in de kerk willen trouwen?’ Ze hebben zich verdiept in het onderwerp en hebben zich ingeleefd door te luisteren naar de verhalen van twee homoseksuele predikanten. Eén die een celibatair leven heeft, en één die inmiddels getrouwd is met iemand van het zelfde geslacht. Dominee Anne-Marie dus. En nee, zij is niet over één nacht ijs gegaan. Ze heeft zich niet uitgeleefd op het moment dat ze ontdekte dat ze anders geaard was dan heteroseksueel. Ze is met voorzichtigheid, respect, in afhankelijkheid van God haar weg gegaan.

De synode heeft ingezoomd op de levens van deze twee predikanten, overlegd, gewikt, gewogen, gebeden, geaarzeld, gediscussieerd en heeft toen weer uitgezoomd naar de gewone kerkganger, de gelovige van nu. Echt nieuwe inzichten hebben ze niet gekregen, als ik het interview met ds. de Reuver beluister, wel wat meer zicht op hoe het er in de praktijk van een homoseksueel predikant aan toe kan gaan (en wat voor gevolgen dat dan kan hebben voor de gemeenten die ze dienen). Maar uitzicht op een oplossing die voor iedereen aanvaardbaar is, is er niet.

Goochelen met woorden 


Dus goochelt de synode wat met woorden. Politiek theologisch correcte praat noemt mijn lieftallige echtgenoot dat. De synode neemt een standpunt in: Heteroseksuele stellen worden ingezegend. Homoseksuele stellen worden gezegend. Wat het verschil is wordt niet duidelijk. In andere talen zijn daar ook geen verschillende worden voor zegt Reuver in zijn interview met Groot Nieuws Radio.

Mijn gedachten slaan op hol. Wat een woordenspel weer. Een onderdeel van de tale Kanaäns, zoals we die in de loop van de eeuwen hebben bedacht. Zegenen, inzegenen, uitzegenen. We gaan gemakshalve gewoon voorbij aan de betekenis van zegenen. We bedenken een woord waardoor het nog nét acceptabel is dat homoseksuele stellen in de kerk een zegen mogen ontvangen. ’t Zijn wel net iets minder letters dan heteroseksuele stellen, maar die zegen heb je dan toch te pakken. En hopelijk ben je daarmee dan ook van de klachten van gemeenteleden af die dit niet goedkeuren. Er is immers verschil? Het gaat niet om dezelfde zegen…

In mijn hoofd rollen allerlei woorden over elkaar heen. Je kunt bijvoorbeeld inademen, ademen en uitademen. Daar heb ik vorig jaar nog een boek over geschreven. Adem in, Adem uit. In dezelfde categorie zit inblazen-blazen-uitblazen. Hoewel ik bij inblazen meer denk aan mond op mond beademing, bij blazen aan mijn bladblazer die als ik de schakelaar omzet ook een vernietigend effect kan hebben, en bij uitblazen zie ik een plaatje voor me van iemand die halfdood over de eindstreep van de marathon valt.

Tussen bakeren en inbakeren zit ook niet echt verschil. Ik stel voor dat we dan inbakeren voortaan gebruiken als het duidelijk een jongetje of een meisje is, en bakeren als het geslacht onduidelijk is. Indalen gaat duidelijk over de balletjes van het opgroeiende kind en dalen heeft diverse betekenissen. Uitdalen bestaat niet, maar vandalen zijn dan wel weer een bekend fenomeen.

Insnijden-snijden-uitsnijden hebben snijden gemeen maar de betekenissen zijn erg divers. Willen we er ook nog een religieus sausje overheen gieten zou je besnijden nog aan het rijtje kunnen toevoegen.

En wat te denken van:
www.walterdijkshoorn.nl
  • Inbellen-bellen-opbellen
  • Inbinden-binden-ontbinden
  • Inbouwen-bouwen-uitbouwen
  • Inbreken-breken-uitbreken
  • Inchecken-checken-uitchecken
  • Indenken-denken-uitdenken
  • Indelen-delen-uitdelen
  • Indeuken-deuken-uitdeuken
  • Indraaien-draaien-uitdraaien
  • Indrukken-drukken-uitdrukken
  • Indrogen-drogen-uitdrogen
  • Inslapen-slapen-uitslapen
  • Inspreken-spreken-uitspreken
  • Ingang-gang-uitgang-rotgang

Ik kan nog veel meer bedenken en zit hardop te grinniken als ik sommige woorden op me in laat werken. Vorige week was ik even bij mijn schoonmoeder die een verhaal vertelde van iemand die zich had laten overdopen. Ja, bingo! Daar heb je er weer één! Indopen-dopen-overdopen... Ze bedoelde natuurlijk dat een kind ooit als baby besprenkeld was, en nu als volwassene koppie onder was gegaan. Hij komt in de buurt van zegenen en inzegenen.

Als we onderwerpen als ‘dopen’ gaan nemen kom je al gauw met een ander fenomeen in aanraking: Scheuren. Het zal beginnen met inscheuren en uiteindelijk uitscheuren. En dan heb je een scheuring. Overigens zou zo’n scheuring ook zomaar kunnen ontstaan als we als gelovigen denken de waarheid in pacht te hebben en te mogen oordelen over onderwerpen als homoseksualiteit. Misschien moeten we met elkaar ontdekken dat je je als gelovige niet hoeft in te dekken als je niet precies weet hoe God naar situaties kijkt.

What’s in a word?


Laat eens op je inwerken wat woordgebruik kan uitwerken. Door een woord als ‘zegenen’ te gebruiken voor de ene doelgroep en ‘inzegenen’ voor de andere doelgroep, geef je eigenlijk al een oordeel, een mening. Je maakt onderscheid.

Ik vind dat we als christenen, als volgelingen van Jezus, als gelovigen die God vertegenwoordigen op aarde voorzichtig moeten zijn in ons oordelen. Dat is namelijk niet aan ons. Wij zijn God niet, wij hebben maar zo’n beperkte kijk op hoe Hij alles bedoeld heeft. Ja, natuurlijk moeten er regels zijn en onze behoefte aan duidelijkheid speelt ons parten.

We zijn in goed en fout gaan denken terwijl God denkt in liefde. Liefde voor de hele wereld, voor de hele schepping, voor jou en mij, voor homo’s en hetero’s (en ja zelfs voor biseksuelen, transgenders, polyamoreuzen, prostituees, geheelonthouders, geslachtslozen en alles wat je nog meer kunt bedenken). Ik hoop en wens dat we als gelovigen weer een eenheid zullen vormen met als basis Gods liefde. Jezus was er duidelijk over. Hij maakte korte metten met de religieuzen van die tijd en gaf een heldere opdracht over hoe wij in het leven mogen staan (Matt. 22:37-39 BGT):

De eerste en belangrijkste regel is deze: De Heer is je God. Je moet van Hem houden met je hele hart, met je hele ziel, en met je hele verstand. Maar de tweede regel is net zo belangrijk: Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.

zondag 19 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... Toch? (3)

Uit

Ik heb hem uit. Het boek ‘Zo zijn onze manieren’ van Frank Viola en George Barna. In twee eerdere blogs heb ik wat punten uit het boek aangestipt. Je kunt ze teruglezen op:
http://judithstoker.blogspot.nl/201...

http://judithstoker.blogspot.nl/201...

Onderwerpen


Het boek gaat in op tal van onderwerpen die voor ons, protestantse christenen, veelal vanzelfsprekend en traditie zijn geworden. We hebben ons aangesloten bij een kerk of gemeente en zonder er verder bij na te denken gaan we mee in alle gewoonten en gebruiken. In het boek wordt grondig onderzocht hoe dingen ontstaan zijn, welke invloeden hierbij van belang waren en wordt er ook gekeken of zaken ook terug te vinden zijn in de bijbel.

Ik zou het boek tekort doen, én ik zou onnodige discussies uitlokken, als ik op ieder onderwerp zou ingaan. Maar ik wil toch wat punten noemen die mij aan het denken hebben gezet, of die mijn soms wat vage gevoel van ‘klopt dit eigenlijk wel’ bevestigden.
  • Het kerkgebouw (hierover schreef ik in de eerste blog)
  • De liturgie (hierover schreef ik in de tweede blog)
  • De preek: De heiligste koe van het protestantisme. In onze diensten is de preek centraal komen te staan. Dat het woord van God verkondigt moet worden, is absoluut een bijbels gegeven. Maar de hedendaagse ‘kanselpreek’ is niet hetzelfde als de verkondiging en het onderwijs dat we in de bijbel tegenkomen. De preek is een voortvloeisel van de Griekse retoriek en de gemeente wordt door het centraal stellen van de preek gereduceerd tot een groep zwijgende toeschouwers. De preek brengt het functioneren van het lichaam van Christus tot stilstand en maakt mensen passief. Waar we in o.a. 1 Korinthe 12-14 worden aangemoedigd om onze mond open te doen legt de preek de gelovigen het zwijgen op. Bovendien maakt de preek van een dominee of spreker een geloofsspecialist en worden de ‘gewone gemeenteleden’ als tweederangs gelovigen afgeschilderd.
  • De voorganger/dominee. Een merkwaardig verschijnsel dat vanaf de tweede eeuw ontstaan is. De eerste-eeuwse kerken waren godsdienstige groepen zonder priester, tempel of offers. De christenen zelf leidden de kerk onder het directe leiderschap van Christus. Er waren weliswaar oudsten (herders of opzieners). Deze mannen waren allemaal gelijk. Er bestond geen hiërarchie onder hen.
  • Zondagse kleding/kleding voor predikanten. Ik wil er niet teveel over zeggen, maar slechts een stukje uit het boek citeren: ‘De Heer Jezus en zijn discipelen gaven niets om speciale kleding om indruk te maken op God of zich te onderscheiden van het (gewone) volk van God. Het dragen van speciale kleding uit godsdienstige overwegingen was eerder een kenmerk van de schriftgeleerden en farizeeën. Jezus zei hierover: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden’ (Lucas 20:46)’
  • Muziekleiders: Geestelijken met een muzikale missie. Overigens... nogmaals wil ik benadrukken dat muzikanten, aanbiddingsleiders, koren, zangers en noem maar op, niet fout zijn! Zeker niet, God eren met zang en muziek, met dans, met ons hele lichaam, dat is waar we toe opgeroepen worden al vroeg in het oude testament! Waar het in de context van dit boek over gaat is wederom het éénrichtingsverkeer. De schrijvers van het boek zeggen treffend: ‘Wanneer aanbiddingsliederen alleen aangekondigd, ingezet en geleid kunnen worden door degenen die daar talent voor hebben, wordt dit onderdeel van de dienst meer een kwestie van vermaak dan van gezamenlijke aanbidding.’ Nu zou je kunnen aanvoeren dat er in het oude testament toch ook al Levieten waren die de aanbidding leidden. Dat klopt inderdaad, maar wij leven in de periode van het nieuwe testament waarin wij allen priesters zijn en Christus onze Hogepriester is. (Hebr. 5-7 en 1 Petrus 2:5 en 9).
  • Tienden en het salaris van geestelijken. Ook over dit onderwerp is veel te zeggen en mijn advies is om eens te lezen wat de schrijvers van dit boek daarover hebben uitgezocht. Ik zal slechts een paar zinnen citeren: ‘Het geven van tienden is bijbels, maar niet christelijk. Jezus Christus heeft het Zijn discipelen niet geleerd. Het geven van tienden wordt in het nieuwe testament vier keer genoemd, maar in geen van die gevallen betreft het christenen. Wat niet wel zeggen dat de nieuwtestamentische gelovigen niet vrijgevig waren! Integendeel.’
  • De doop en het Avondmaal. Geen discussie over kinder- of volwassendoop in dit boek, maar wel een nadenkertje over het ‘tijdstip’ van dopen. Geen lange aanloop naar de doop, maar de doop als bevestiging van een openbare geloofsbelijdenis. Waar wij het ‘zondaarsgebed’ in sommige kringen kennen, was het in de eerste eeuwen gebruikelijk om na het belijden van je geloof ook direct gedoopt te worden. Een mooi getuigenis. Over het Avondmaal worden ook mooie dingen gezegd. Als ik het lees dan zou ik willen dat ik even terug kon in de tijd en eens zo’n Avondmaal van die eerste christenen zou mogen mee beleven. Want een belevenis, dat was het! Een zin uit het boek (die van mij had kunnen zijn, want dit denk ik zo vaak als we Avondmaal vieren): ‘De traditie heeft het Avondmaal teruggebracht tot een tongstrelend vingerhoedje druivensap en een klein, smakeloos stukje matse. De sfeer waarin we dit ‘vieren’ is vaak plechtig.’ Tja, ik kan er niets aan doen maar ik toch een heel ander beeld bij ‘vieren’.
  • Christelijk onderwijs. Dit hoofdstuk gaat over theologische studies, bijbelscholen, zondagsscholen en allerhande christelijke opleidingen. Er is niets mis met zulk onderwijs mits je de mensen die het gevolgd hebben maar geen bijzondere geestelijke status toebedeelt. ‘Mensen met veel bijbelkennis, een hoge intelligentie en een messcherp denkvermogen zijn niet automatisch geestelijke mensen die Jezus Christus werkelijk kennen en aan anderen een levensveranderende openbaring van Hem kunnen doorgeven.’

Moet dit nu echt...


Er staan nog twee hoofdstukken in het boek die een goede uitleg geven over hoe we het nieuwe testament kunnen lezen (in plaats van het betere knip- en plakwerk wat we nu vaak doen, teksten zoeken bij een onderwerp en de context vergeten), en over Jezus, de revolutionair.

Ik snap dat mijn blogs over dit boek irritatie en misschien wel boosheid oproepen. ‘Waarom moet het allemaal weer anders?’ zei iemand die mijn blog gelezen had. Ik weet niet of het per se anders moet. Als de zondagse samenkomst voor jou het hoogtepunt van kerk-zijn is en je ervaart dat je erdoor opgebouwd wordt, dat je relatie met God zich verdiept en dat je samen met je medegelovigen het lichaam van Christus op aarde bent, dan weet ik niet of dit boek aan jou besteed is.

Als je, net als ik, onvrede ervaart met de huidige vorm van kerk zijn, waarbij het hoogtepunt de zondagse dienst is, dan zou dit boek een aansporing kunnen zijn om op zoek te gaan naar hoe gemeente zijn bedoeld is. Iemand anders schreef onder mijn vorige blog heel treffend dat het niet per se gaat om de zondagse diensten, maar veel meer de vorm van gemeente zijn door de hele week heen. Daar ben ik het mee eens. Als we de zondagse samenkomsten zouden aanpassen maar er verder niets zou veranderen in onze manier van christen zijn, zou het zinloos zijn.

De kerk, dat ben jij, dat ben ik. Allemaal vertegenwoordigen we een stukje van het lichaam van Christus. Dat zit hem niet in de genootschap waarbij je op de lijst staat als lid of vriend of deelnemer. Dat zit hem er alleen maar in dat we Christus volgen en dat we Zijn alles overtreffende en alles omvattende liefde mogen doorgeven aan een wereld die liefde tekort komt.

Tenslotte


Ik sluit af met een laatste citaat uit het boek. Ik daag jullie uit dit boek te lezen, erover na te denken en er misschien eens met anderen van gedachten over te wisselen. Laten we met elkaar zoeken naar een manier van kerk zijn die Christus recht doet!

‘Aan het eind van dit boek is onze hoop drieledig: In de eerste plaats hopen we dat je vraagtekens zult zetten bij de kerk zoals je die op dit moment kent. In hoeverre is ze werkelijk bijbels? In hoeverre geeft ze uiting aan het absolute leiderschap van Jezus Christus? In hoeverre laat ze de leden van haar lichaam vrij om te functioneren? In de tweede plaats hopen we dat je dit boek zult delen met elke christen die je kent, zodat ook zij door deze boodschap kunnen worden uitgedaagd. En in de derde plaats hopen we dat je ernstig zult bidden over de vraag hoe je op deze boodschap zou moeten reageren.’

'Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust.' (Jeremia 6:16)

woensdag 15 november 2017

Moed nodig?

Ben je een knecht van je angst of een koning van je verlangen? Een zinnetje uit het boekje ‘Durf te leven’ van Mirjam van der Vegt. Toen Mirjam een paar jaar geleden tijdens een conferentie waar ik mocht spreken dit boek presenteerde sprak ze deze woorden uit. Ik noteerde ze in mijn schrift. Onnodig, want op de één of andere manier werd dit zinnetje opgeslagen op de harde schijf van mijn hart.

Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik ben regelmatig een knecht van mijn angst. Als je mij volgt op facebook dan lijk ik misschien heel wat. Altijd in voor een grap, meestal opgewekt en positief gestemd, bemoedigend, gelovig, kritisch, bevlogen en enthousiast. En nee, dat is geen schone schijn, want dat is helemaal zoals ik ben. Maar, soms, of af en toe, misschien wel regelmatig, is er ook een andere kant. Een angstige kant, een ‘ik’ die bang is om te falen, om niet aardig gevonden te worden, om gezichtsverlies te lijden, om anderen teleur te stellen.

‘Dat kind’


Een voorbeeld uit mijn eigen leven. Ik heb intervisie met een groepje medestudenten. Eén van hen is een paar weken geleden vader geworden. Hij en zijn vrouw volgen beiden de opleiding en we zitten bij elkaar in de groep. ‘Volgend weekend nemen we de baby mee. Een experiment, kijken of dat bevalt.’ Ik zeg niks maar voel van alles. Ik bouw mijn leven zorgvuldig om baby’s heen. Ga alleen in de hoogst noodzakelijke gevallen op kraamvisite, vermijd gelegenheden waar ik wat met baby’s moet, zal me nooit beschikbaar stellen als crèchemedewerker en dat soort dingen. Heel soms vind ik het fijn om even met zo’n klein, kwetsbaar mensje te knuffelen, de vingertjes te bewonderen, het lekkere babyluchtje te ruiken en te genieten van het bijzondere contact zonder woorden met zo’n mini-mensje. Maar dan wil ik er zelf voor kunnen kiezen.

Ik rijd naar huis en denk erover na. Wat vind ik ervan dat ze de baby meenemen naar het studieweekend? Ik vind het niet fijn geloof ik. Ik heb plaatjes in mijn hoofd van een voedende moeder in de kring, een aandacht trekkende baby, iedereen die vol bewondering boven de kinderwagen hangt, de ‘aaaaahhhs en ooohhhhhhs’ omdat de schattigheid eraf straalt en ik voel me nu al leeg. Zij wel, ik niet.

‘Maar dat is egoïstisch’, spreek ik mezelf streng toe. ‘Je moet blij voor hen zijn en ze hun geluk gunnen. Je moet je niet zo aanstellen dame, kom op, je bent 43 jaar en je hebt genoeg gehuild om je ongewenste kinderloosheid. Dat moet nu wel eens klaar zijn.’ Ik schud alle gedachten van me af, zet de muziek harder en rijd naar huis.

Het weekend erna is het studieweekend. Ik ben vroeg en heb al een plekje in de kring opgezocht. Ik zit met m’n beker koffie te kijken naar iedereen die binnenkomt. ‘Hé, wat leuk! Freek en Willeke hebben de baby bij zich!’ hoor ik een medestudent zeggen. ‘Ik weet niet of ik dat leuk vind’, zeg ik hardop. Ik zet me schrap. Ik zit vastgeplakt aan mijn stoel en terwijl een aantal groepsgenoten hen feliciteren en een blik in de kinderwagen werpen voel ik me ongemakkelijk.

Als we een openingsrondje doen, ben ik vrijwel meteen aan de beurt. Ik twijfel nog een fractie van een seconde en dan gooi ik het er toch maar uit. ‘Ik vind het gewoon super ingewikkeld dat jullie ‘dat kind’ mee genomen hebben!’ zeg ik al huilend, en mijn hele verhaal, alle afwegingen en gedachten komen eruit. Doodsbang wat iedereen ervan vindt en denkt en ergens ook bang om Freek en Willeke te kwetsen. Het lucht echter vooral op, we kunnen er daarna gewoon over praten, niemand wordt boos of is teleurgesteld in mij en sterker nog: mensen zeggen dat ze blij zijn dat ik het deel, zodat ze weten hoe het voor mij is. Ik krijg later op de dag van iemand een compliment als hij zegt dat ik een voorbeeld ben in het bespreekbaar maken van wat er in je leeft.

De lading van de aanwezigheid van ‘dat kind’ is er voor mij meteen af en ik heb er verder helemaal geen last van dat het kleine mannetje erbij is. Af en toe wordt er gegrapt over ‘dat kind’. Ik kan het prima hebben.

Angst belemmert


Mijn angst voor wat anderen van mij zullen vinden, mijn angst om afgewezen, voor gek verklaard of buitengesloten te worden, angst om een meningsverschil te hebben, heeft mij jarenlang in een bepaalde rol geduwd. De rol van behulpzame, meelevende, empathische, snelle, ijverige, gelovige en enthousiaste vrouw. Dat ben ik ook, zeker wel. Ik ben echter in de loop van mijn leven gaan geloven dat mensen mij alleen maar accepteren als ik dat deel van mezelf laat zien. Als die andere kant tevoorschijn komt, dan raak ik vast mensen kwijt.

Angst voor relatieverlies, zoals we dat zo mooi noemen. Die angst belemmert mij om mezelf te zijn. Om echt, transparant, puur te zijn. Want als mensen toch eens zouden weten wat ik écht denk en voel... dan zouden ze van me wegrennen.

Zolang ik me laat leiden door angst voor relatieverlies zit ik gevangen in mezelf. Moet ik altijd afwegingen maken in wat ik wel en niet zeg, is het moeilijk om grenzen aan te geven en nee te zeggen en moet ik het iedereen vooral maar naar de zin maken. Ik word geremd om voluit te leven en... ik laat me niet kennen!

(En nee, ik bedoel niet dat je alles altijd maar ongenuanceerd en ongezouten over anderen heen moet gieten en je mening moet geven. Natuurlijk mag je afwegen en rekening houden met anderen en hun gevoelens.)

Verlangen


De belangrijkste waarden in mijn leven zijn openheid, puur zijn en kwetsbaar zijn. Ik verlang ernaar een vrouw te zijn waar mensen van op aan kunnen. Waar mensen op kunnen leunen, maar die hen ook aanspoort op eigen benen te gaan staan. Een krachtige vrouw die ook pijn kan voelen en verdragen. Een vrouw die opkomt voor hen die onrecht is aangedaan of lijden aan dit leven, maar ook een vrouw die kan ontvangen omdat ik ook troost en begrip nodig heb als ik het moeilijk heb. Een vrouw die grenzeloos enthousiast is, maar die ook nee kan zeggen en grenzen heeft. Een vrouw die net zoveel van zichzelf houdt als van anderen. 

Als ik me me laat leiden door mijn angst voor wat mensen over mij zouden kunnen denken, dan zal ik de vrouw van mijn verlangen niet worden. Dus de vraag is wat het zwaarst weegt: Mijn verlangen of de angst.

Hoe groter mijn verlangen is om die vrouw-uit-één-stuk te worden, des te minder mijn angst te vertellen heeft. Hij is er nog wel, want het is een oude vriend die me in vroeger tijden ook geholpen heeft. Maar hij heeft minder te zeggen. Pas geleden hoorde ik een mooie uitspraak: Als je moed nodig hebt, kijk dan naar je verlangen, in plaats van naar je angst.

Moed


Ik weet niet waar jij naar verlangt en waar je door tegengehouden wordt, wat jouw angsten zijn. Misschien wil je een andere baan of een studie gaan volgen maar laat je je belemmeren door de angst dat het je toch niet gaat lukken. Wil je een reis maken maar durf je niet te vliegen. Wil je een boek schrijven maar laat je je weerhouden door de angst dat je geen uitgever kunt vinden. Wil je een vrouwen- of moedergroep beginnen, of een lotgenotengroep, maar durf je niet, want wie ben jij? Wil je een bedrijf beginnen, of een project opzetten, of wil je van je hobby je werk maken, maar blijf je steken bij de leeuwen en beren.

Ben jij een koning van je verlangen of een knecht van je angst?

Wil je iets écht anders gaan doen in je leven dan heb je moed nodig. En moed krijg je als je je verlangen de baas laat zijn over je angst.

Jozua


Van de week deed ik een testje op internet. Aan de hand van een aantal vragen kwam eruit dat ik het meest op ‘Jozua’ uit de Bijbel lijk. Ik vond het een prachtige vergelijking want Jozua is wat mij betreft één van de meest moedige mensen uit de Bijbel.

Als Mozes twaalf verspieders naar Kanaän stuurt om te kijken of het land kan worden ingenomen is Jozua één van de twee die niet kijkt naar de reuzen die er in het land wonen. Hij kijkt niet naar hoe sterk de mensen zijn, hoe ommuurd de steden zijn en wat voor onmogelijke missie het is. Hij laat zich leiden door het verlangen naar het beloofde land. Het verlangen dat overeen kwam met Gods belofte. Hij zegt:


‘Het land waar wij geweest zijn, is een prachtig land. Er is genoeg te eten voor iedereen, meer dan genoeg. Als de Heer goed voor ons is, zal hij ons erheen brengen en het land aan ons geven. Maar dan moeten jullie je niet tegen de Heer verzetten. Jullie moeten niet bang zijn voor de inwoners van Kanaän. We kunnen hen makkelijk verslaan. Want zij hebben niemand die hen beschermt, en wij wel. De Heer zal ons helpen. Wees dus niet bang.’ (Numeri 14:7-9 BGT)

De houding van Jozua werd beloond. Hij mocht het volk Israël het land Kanaän binnenbrengen. Hij werd als leider aangesteld over het volk. En weet je wat ik zo gaaf vind? Dat God zelf Jozua bemoedigt. Hij zegt tot drie keer toe tegen hem als hij aan het begin staat van zijn carrière als leider:

‘Wees (zeer) sterk en moedig!’ (Jozua 1:6,7 en 18)

Als jouw verlangens oprecht zijn en overeenkomstig Gods hart, dan mag je de baas worden over je angsten en de woorden die God tot Jozua sprak tot je nemen: Wees sterk en moedig! Zoals ook in spreuken 29:25 staat:

Je hoeft niet bang te zijn voor andere mensen. Vertrouw op de Heer, dan ben je veilig.

Ben jij een koning van je verlangen of een knecht van je angst? Ik wens je veel moed toe!

zondag 12 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... Toch? (2)

Reacties

Mijn vorige blog n.a.v. het boek 'Zo zijn onze manieren' riep best wel wat reacties op. Reacties van herkenning. Mensen die dezelfde vragen hebben als ik, die een bepaalde onvrede ervaren als het gaat om de manier waarop de kerk zich gevormd heeft.  Die zich afvragen waarom we doen wat we doen tijdens de zondagse samenkomst.
Er waren ook mensen die hier en daar wat kritische kanttekeningen plaatsten. Onder de blog of in privé berichtjes. Fijn, want ook die reacties helpen mij in mijn zoektocht.

Wat ik, voordat ik verder schrijf, voorop wil stellen is dat mijn blogs niet bedoeld zijn als aanklacht tegen de kerken en gemeenten zoals wij die kennen. Het feit dat we op zondag naar een samenkomst kunnen gaan, of zelfs naar meerdere, dat we in vrijheid samen mogen komen, is een zegen en een voorrecht. En zeker ook een goede gewoonte. Deze blogs zijn veel meer een wikken en wegen van mijn kant om erachter te komen hoe ik mijn leven als christen vorm wil geven en wat het dan betekent dat ik onderdeel ben van een grote groep gelovigen wereldwijd, ook wel 'kerk' genoemd.

De zondagse samenkomst

Afgelopen week ben ik verder gegaan in het boek 'Zo zijn onze manieren'. In hoofdstuk drie wordt aandacht besteed aan hoe de zondagse eredienst of samenkomst er in de meeste gevallen uitziet en hoe deze door de tijd heen zijn vorm heeft gekregen.

In de meeste kerken en gemeenten (van oud gereformeerde gemeenten tot pinkstergemeenten) zijn er een aantal onderdelen die in de zondagse dienst terugkomen (soms in een andere volgorde):
  • Begroeting
  • De zangdienst (in één blok of verdeeld over de dienst)
  • De mededelingen
  • De collecte
  • De preek gevolgd door een activiteit (bijvoorbeeld het avondmaal, gebed, oproep, zingen van een lied)
  • Zegen
Deze wat statische vorm van samenkomen is langzaam maar zeker ontstaan en haar voornaamste wortels liggen in de middeleeuwse, katholieke mis die door Gregorius de Grote (540-604) zijn vorm heeft gekregen.

Het bizarre is dat de mis een mengeling was van heidense en Joodse rituelen en dat hij doordrenkt was van het heidens-magisch denken en vol invloeden uit het Griekse denken. De latere katholieke mis die in de zestiende eeuw ontstond was ten diepste heidens. Kledij van heidense priesters, het gebruik van wierook en wijwater bij reinigingsrituelen, het branden van kaarsen tijden de dienst, kerkgebouwen volgens de architectuur van de Romeinse basilieken, de Romeinse wetgeving als basis voor het 'canoniek recht' (Pag. 100).

Toen de protestantse kerken ontstonden kwam de kansel, niet het altaar zoals in de katholieke kerk, centraal te staan. De preek werd het hoogtepunt van de protestantse dienst. Het boek beschrijft de invloeden van de diverse reformators en bewegingen. Daar wil ik verder hier niet op in gaan.

Wat ik mooi vind in het boek is dat de schrijver op pagina 129 zegt:
'Het is duidelijk dat het protestantse verloop van de eredienst niet bij de Heer Jezus, de apostelen of de geschriften van het Nieuwe Testament vandaan komt. Op zich maakt dat de liturgie nog niet verkeerd. Het betekent alleen dat een Bijbelse basis ontbreekt. Het is een feit dat we in onze cultuur veel dingen doen die een heidense oorsprong hebben. Denk aan de kalender die we gebruiken. De dagen van de week en de maanden van het jaar zijn naar heidense goden vernoemd. Maar door het gebruik van deze algemeen aanvaarde kalender zijn we nog geen heidenen.'

Er zijn echter wel een paar dingen de moeite waard om over na te denken als we kijken naar de huidige vorm van onze samenkomst. Ik vat ze hier samen (Pag. 130-132):
  • De protestantse liturgie beperkt de wederzijdse participatie en de groei van de christelijke gemeenschap. Het lichaam van Christus wordt bekneld doordat de gemeenteleden moeten zwijgen. Je kunt niet door andere leden van het lichaam worden verrijkt en je kunt anderen ook niet verrijken. Dit in tegenstelling tot de 'ieder heeft iets' bijeenkomsten waar we van lezen in de brieven van Paulus. 
  • De protestantse liturgie ondermijnt het leiderschap van Jezus Christus. De hele dienst wordt door één persoon geleid. Waar is de vrijheid die de Heer Jezus heeft om naar eigen believen door Zijn lichaam te spreken? Waar in de liturgie kan God een broeder of zuster een woord geven om dit te delen met de hele gemeente?  Jezus Christus heeft geen vrijheid om Zichzelf door Zijn lichaam te uiten wanneer en hoe Hij dat wil. Ook Hij is tot een passieve toeschouwer gereduceerd. Het lichaam van Christus wordt lamgelegd door de protestantse liturgie. Het wordt één grote tong (soms twee of drie) met een heleboel kleine oren. 
  • De zondagse eredienst is voor veel christenen saai, voorspelbaar, plichtmatig en routinematig. Ook in meer evangelische gemeenten waar een breed arsenaal van moderne media en drama is is er nog steeds sprake van een dienst die onder controle is van de voorganger, is er nog steeds sprake van een liedsandwich en zijn de gemeenteleden zwijgzame toeschouwers. 
  • De protestantse liturgie bevordert passiviteit, belemmert het functioneren van het lichaam van Christus en is zo een belemmering voor geestelijke groei. We groeien namelijk door te functioneren, niet door passief toe te kijken en te luisteren.

Hoe dan wel? 

Het is eenvoudig om te kijken naar wat er allemaal niet Bijbels verantwoord is en wat er aan heidense gebruiken is ingeslopen in de loop van de tijd. Maar hoe zou je een zondagse samenkomst dan wel vorm kunnen geven? Het boek geeft daar geen uitgebreid antwoord op. Ik heb me laten vertellen dat Frank Viola daar in een ander boek verder op in gaat. Toch geeft hij wel een voorbeeld van een levendige samenkomst onder het leiderschap van Christus die Frank zelf bezocht heeft. Een bijeenkomst waarin een dertigtal mensen bij elkaar komt en waarin er door verschillende gemeenteleden een bijdrage wordt geleverd zonder dat daar vooraf een structuur in is aangebracht.

Passiviteit

Hoewel het voor mij nog niet helder is hoe je dat dan organiseert en hoe je een groep gemeenteleden dan bij elkaar krijgt zonder weer te verzanden in alweer een nieuwe beweging of kerk, is voor mij in dit hoofdstuk wel duidelijk geworden dat het 'passieve' deelnemen aan, of beter gezegd: toeschouwen van de dienst niet bijdraagt tot een verfrissend, bloeiend geestelijk leven. En dat herken ik wel bij mezelf. Dat ik soms naar de dienst ga en zo graag een lied zou willen zingen omdat mijn hart daar al dagen vol van is, en dat we dan liederen zingen die ook prima zijn, maar niet aansluiten bij waar ik op dat moment zit.

Een ander voorbeeld waarin de passiviteit mij enorm stoorde was een dienst een paar jaar geleden. De spreker had het over 'vergeving'. Aan de hand van een bijbelgedeelte riep hij op om vooral te vergeven als een ander je iets had aangedaan. Het was een kort-door-de-bocht preek en wat mij betreft een halve waarheid. Ik luisterde met pijn in mijn hart voor al die mensen die met heftige trauma's in de dienst zaten en aan wie nog nooit om vergeving gevraagd was door de dader. Mensen misschien nog midden in hun verwerkingsproces. De spreker beëindigde zijn preek, sloot af met een gebed en daarna was er avondmaal. Ik zag een vrouw opstaan en huilend de zaal verlaten. Ik kende haar en wist dat deze preek haar pijn had gedaan. Het had haar niet dichter naar Jezus gebracht. En ik kon er niets aan doen. Ik kon het niet nuanceren. Degene die het avondmaal leidde bedankte de spreker voor zijn mooie en ware woorden. Mijn maag draaide zich om.

Levende stenen

Het effect van de protestantse liturgie. Wil ik daar echt aan mee doen? Ik denk aan de tekst uit 1 Petrus 2:4-5 en12 waar staat:

Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn....
Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken.


Dat is zo mijn verlangen dat ik, midden in een wereld die God niet meer kent, een levende steen kan zijn. Een steen waar mensen op kunnen bouwen en waar ze Gods liefde doorheen kunnen zien. Natuurlijk is het dan goed om ook de andere stenen van die geestelijke tempel te ontmoeten, maar de vraag is of de zondagse dienst in zijn huidige vorm daar de meest ideale plek voor is. 

Ik ga verder met lezen en ben benieuwd naar het vervolg. 

zondag 5 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... toch? (1)

Naar welke kerk ga je?

Jarenlang was 'Kerk aan de keukentafel' mijn favoriete boek over gemeente-zijn met elkaar. Hans Groeneboer, de auteur van dit boek, beschrijft in dit boek dat kerk zijn niet gaat over een systeem of een gebouw maar over relaties. Dat sluit aan bij wat ik in Handelingen lees over hoe de volgelingen van Jezus met elkaar gemeente zijn. 

En toch... in de praktijk zie ik dat christen zijn vooral gekoppeld is aan deze vragen: 
  • Naar welke kerk ga je? 
  • Ben je actief in de gemeente? (Welke taak heb je in de gemeente?)
Die eerste vraag is de standaard vraag als mensen erachter komen dat je gelovig bent. De tweede vraag wordt vooral gesteld door christenen die elkaar bevragen. Let maar eens op de komende tijd. Als je een onbekende ontmoet en je komt er toevallig achter dat diegene ook christelijk is (je ziet een kruisje om iemands nek, je vangt een gesprekje op, je hoort een moeder tegen haar zoontje zeggen dat hij zondag niet mag afspreken, iemand bidt voor het eten), is het een super voor de hand liggende vraag om te stellen: 'Hé, ben je ook gelovig? Dat wist ik niet. Naar welke kerk ga je?'

Die tweede vraag, daar betrap ik mezelf vaak op. Als ik mensen in mijn praktijk ontmoet, dan vraag ik wat hun overtuiging is en of ze bij een kerk of gemeenschap horen. Bijna standaard vraag ik daarna: 'Hoe betrokken ben je, doe je er ook iets?'

Belachelijke vraag, al zeg ik het zelf. Ik ga hem schrappen. Ik kan beter vragen: 'Heb je steun aan je geloof en je geloofsgenoten?'

Uit mijn dagboek...


Sinds een paar maanden houd ik digitaal een dagboek bij. Gewoon voor mezelf en ook als bron om uit te putten voor blogs en boeken die ik nog wil schrijven. Ik zal wat zondagse stukjes citeren: 

Zondag 13 augustus

Ben ik wel een goed christen? Soms vraag ik me dat af. Het is zondag, en op zondag hoor je naar de kerk te gaan. Maar ik kan mezelf er niet toe zetten. Ik ben al een paar weken niet geweest en ik mis het ook niet. Ligt dat aan mij, of aan de kerk? Ik heb niet het idee dat mijn relatie met God lijdt onder mijn zondagse verzuim. Juist de afgelopen weken, waarin ik alle tijd had omdat ik vakantie had, heeft mijn geloofsleven nieuwe impulsen gekregen. Ik heb het Lucas evangelie gelezen en ben opnieuw onder de indruk van het doen en laten van Jezus geraakt. Ik heb me verdiept in de Psalmen en kijk er dagelijks naar uit om verder te lezen. In mijn vakantieboekje ‘Vier de zomer’ heb ik negen dagen lang gewerkt, gekleurd, gebedspunten opgeschreven en daar gedurende de volgende dag steeds voor gebeden. 


Wat is dat toch met de kerk? Waarom staat het me zo tegen? Over Jezus las ik dat Hij het liefst iedere dag in de Synagoge was om te onderwijzen. Tja, misschien is dat het wel. Het passieve, het consumeren, het zingen van liederen die net niet helemaal zeggen wat ik tegen God zou willen zeggen, het zondag in, zondag uit luisteren naar een preek waar ik lang niet altijd handen en voeten aan kan geven de rest van de week. Maar als christen zou ik toch juist warm moeten lopen voor dit soort samenkomsten? Misschien ben ik verwend omdat ik in Nederland woon. Er is geen nood aan de man, we hebben elkaar niet echt nodig als kerk, er is geen vervolging, ik lijd geen armoede, kan als ik zou willen duizenden online preken beluisteren, de hele dag aanbiddingsmuziek draaien en bidden doe ik het liefst alleen. 


Kom je iets tekort als je kerkloos bent? Ik betwijfel het. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat we als gelovigen aan elkaar gegeven zijn om elkaar te bemoedigen, scherp te houden, te steunen.

Misschien is mijn vraag wel in welke vorm je dat moet gieten. En, hoe je dat kunt doen, midden in een samenleving die steeds meer God-loos wordt. Ik wil graag een verschil maken. Laten zien wat het betekent en hoeveel meerwaarde het heeft als je gelovig bent. Dat verschil wordt beter zichtbaar in een omgeving waarin gelovigen en ongelovigen samen leven. In je buurt, op de sportvereniging (waar ik overigens geen lid van ben), op de opleiding, met collega’s. Dat verschil wordt niet zichtbaar in een samenkomst met gelijkgestemden (aan de buitenkant dan, want binnen de kerk is maar al te veel ruzie over zaken die er niet toe doen). 


Blijf ik toch zitten met het fenomeen kerk. Wil ik me er niet te makkelijk vanaf maken? Heb ik niet gewoon bindingsangst? Wil ik niet onder gezag staan? Genoeg stof tot nadenken en mezelf kritisch onder handen nemen.

Zondag 20 augustus
Tijd is een raar fenomeen. Opeens is het alweer zondag. Weer de afweging wel of niet naar de kerk. Makkelijke keus vandaag, we hebben een logé en meer dan de helft van het gezin ligt om half tien nog te slapen. Ook geen livestream vandaag, want mijn hoofd is meer dan verzadigd met prikkels. Gewoon een rustdag dus vandaag. Precies zoals het bedoeld is. Zes dagen bezig zijn, één dag rust. Welke dag dat dan ook is. 


Ik ben nog altijd blij dat het scheppingsverhaal stopte na zeven dagen. Ik denk dat het me meer hoofdbrekens had gekost als er had gestaan: ‘God zag dat de mensen behoefte hadden om wekelijks samen te komen. Dus schiep Hij de kerk. Het was avond geweest, de achtste dag.’ De kerk, en al helemaal hoe wij hem vormgeven, is pas later ontstaan. 

Zondag 10 september

Weer zondag, geen geldige excuses, iedereen thuis, dus… we gaan naar de kerk. Met z’n allen. De jongste pleegzoon moppert even en probeert nog een pleidooi te houden over dat twee uur te lang is. Of ik wel weet dat hij een uur in de auto onderweg naar vakantie al bijna niet volhoudt. Ja, dat weet ik, maar ergens klopt er iets niet. Want twee uur achter de computer mine craft spelen is geen enkel punt. Volgens pleegzoon komt dat omdat hij dan op zijn knieën kan zitten. Ik ben niet overtuigd, dus om vijf over half tien zitten we in de auto. 

....(Het relaas van de kerkdienst bespaar ik jullie.)...

Ik ben licht chagrijnig. Wat is de toegevoegde waarde van deze twee uur kerkbezoek? Ik kom er niet uit met mezelf. Is het dan puur de gewoonte die je naar de kerk laat gaan? Net zoals je drie keer op een dag moet eten? Maar dat heeft een functie, want door de voedingsstoffen die je binnen krijgt blijf je energiek. Bepaald energiek of enthousiast heeft de dienst me niet gemaakt. Moet ik misschien met een andere insteek naar de kerk gaan? Niet om er iets te halen, maar om er iets te brengen? Maar wat dan? Ik parkeer mijn gedachten over de kerk. Vanmiddag ga ik lekker in m’n boek lezen en hier en daar wat opruimen. Er komen vast nog genoeg zondagen om er verder over na te denken.

Zo zijn onze manieren


En dan kom ik op facebook een boek tegen: 'Zo zijn onze manieren' (Frank Viola). De omschrijving van het boek trekt me wel: 

Heb jij je wel eens afgevraagd waarom we op zondag in de kerk doen wat we doen? Waarom trekken we zondagse kleren aan? Waarom is die preek zo belangrijk? Waar komen kerktorens, kerkbanken, kansels en koren vandaan? Waar in de Bijbel heeft God ons bevolen op deze wijze bij elkaar te komen?

Het lijkt me een leuk boek om op de huiskring van de kerk te bespreken. Maar helaas... er wordt een andere keus gemaakt. Geen probleem, ik schaf het zelf aan en ga het lezen. Al tijdens de inleiding ben ik meteen nieuwsgierig naar het vervolg van het boek, namelijk hoe gemeente zijn dan wel bedoeld is en hoe je dat kan vormgeven. Maar voor nu ben ik vooral nieuwsgierig naar wat de auteur te zeggen heeft over hoe we onze hedendaagse kerk vorm hebben gegeven. 

Ik lees de eerste twee hoofdstukken in één adem uit. Ik ga geen samenvatting geven van het boek (daar zou ik het tekort mee doen) maar een paar dingen die ik opvallend vind wil ik noemen: 

  • Het oude Jodendom draaide om drie elementen: de tempel, het priesterschap en het offer. Toen Jezus kwam, maakte Hij aan alle drie een einde, omdat Hij van alle drie de vervulling was. Hij is de tempel die tot uitdrukking komt in een nieuw en levend huis dat 'zonder handen' is gemaakt van levende stenen. Hij is de priester die een nieuw priesterschap heeft ingesteld. En Hij is het volmaakte en voltooide offer. (Pag. 50)
  • Nergens in het Nieuwe Testament vinden we de termen 'kerk (ekklesia), tempel of huis van God' met betrekking tot een gebouw. In elk van de 114 gevallen dat het woord ekklesia wordt gebruikt, heeft het betrekking op een verzameling mensen. (Pag. 52)
  • Sinds Christus is opgestaan, zijn wij - de christenen- de tempel van God. (Pag. 54)
  • Tot het jaar 300 (ongeveer) kwamen christen samen in huizen. Naarmate de gemeenschappen groeiden werden hun huizen aangepast. Er werden grotere woonkamers gecreëerd waardoor ongeveer 70 mensen in huis terecht konden. (Pag. 56)
  • Een kerkgebouw is niet ontworpen voor vertrouwde omgang of gemeenschap met elkaar... De banken of stoelen staan zo dat ze naar de kansel opkijken...Het maakt functionerende christenen tot tribuneklanten die alleen zitten en consumeren...De architectuur benadrukt de gemeenschap tussen God en Zijn volk via de voorganger! (Pag. 86)
  • Er bestaat geen greintje Bijbelse onderbouwing voor het kerkgebouw. Toch betalen veel christenen elk jaar veel geld om hun stenen en beton te heiligen. Daarmee houden ze een kunstmatige setting in stand die hen passief maakt en hen belemmert om op een natuurlijke en persoonlijke manier met andere gelovigen om te gaan. (Pag. 88)

Kritiek


De komende tijd hoop ik verder te lezen in het boek en een serie blogs te schrijven waarvan deze de eerste is. Niet om de bestaande kerken af te branden of om ongezouten kritiek te leveren. Dat is te makkelijk en breekt alleen maar af. Ik wil graag antwoorden krijgen op mijn vragen en hoop dat ik in mijn leven een echt onderdeel mag zijn van de kerk. Een deel van het lichaam van Christus dat Hem vertegenwoordigt op aarde. 

Het menselijk lichaam is één geheel, maar het bestaat uit veel delen. 
En al die verschillende delen vormen samen dat ene lichaam. 
Net zo vormen wij samen één lichaam, want we horen allemaal bij Christus.... 
Zo is het ook met jullie. 
Jullie vormen samen één kerk, ieder van jullie hoort erbij. 
Want jullie horen allemaal bij Christus
(1 Kor. 12:12 en 27)

maandag 16 oktober 2017

Zelfcompassie


‘Wees jezelf, er zijn al genoeg anderen’ Een tegeltje in ons toilet en jarenlang de uitspraak die achterop mijn visitekaartje stond. Maar, wat betekent dat eigenlijk, jezelf zijn? Weet je wel wie je bent? En, mag je jezelf wel zijn als dat inhoudt dat je een ander teleur stelt? Is het niet beter om voor de lieve vrede soms een betere (ook al is het een surrogaat) versie van jezelf te laten zien?

Afgelopen weekend bezocht ik een kloosterweekend. Een weekend van vaart minderen, stil worden en thuiskomen bij God én mezelf. Heel bewust had ik gekozen om er alleen naar toe te gaan. Ik kende een paar mensen van gezicht, maar verder niet. Even geen verwachtingen van anderen, geen mensen voor wie ik iets moet betekenen of voor wie ik wil zorgen.

Omarm jezelf


In de zaal waar onze gezamenlijke activiteiten plaatsvinden staat een tafel met wat boeken. Sommige ken ik van naam of heb ik gelezen. Andere boeken spreken me niet aan of blader ik snel even door. Dan valt mijn oog op een klein boekje: ‘Omarm jezelf, de weg naar zelfcompassie’ (Gijs Jansen). Gedurende het weekend lees ik het boek uit. Er staat veel in om over na te denken en het sluit aan bij het thema waar ik de afgelopen tijd mee bezig ben: Grenzen stellen, van mezelf houden net zoveel als ik van die ander houdt, nee zeggen, ruimte innemen.

Op zaterdagmiddag doen we een beeldmeditatie bij het prachtige schilderij van de barmhartige vader, of ook wel de verloren zoon genoemd. Terwijl Lenie op de achtergrond vertelt over het schilderij en over Henri Nouwen die er jaren over gemediteerd heeft, laat ik het beeld opnieuw op me inwerken. Vorig jaar heb ik deze meditatie ook gedaan. Maar ach, zo denk ik, als Henri Nouwen er een paar jaar naar heeft gekeken en over nagedacht heeft, kan ik er best twee keer een half uur naar kijken.

Handen en voeten



Er treffen mij een paar dingen in het schilderij. Gek genoeg zijn dat weer andere dingen dan vorig jaar. Als eerste valt mijn oog op de handen van de Vader die op de rug van zijn zoon liggen. Zijn zoon, thuisgekomen nadat hij zijn deel van de erfenis heeft uitgegeven aan feesten en partijen. De handen van de Vader troosten hem, koesteren hem, hij omarmt zijn zoon en kalmeert hem. Misschien heeft hij wel over zijn rug gewreven.

Als ik mijn ogen verder over het schilderij laat gaan word ik geraakt door de voeten van de verloren zijn. Zijn schoenen zijn zo goed als stukgelopen. Stukgelopen door zichzelf... omdat hij zelf zo goed wist wat hij wilde met zijn leven. Hij ging zijn eigen verlangen achterna en was ervan overtuigd dat hij het zou gaan maken. Als je geld hebt, heb je alles. Zo was hij op pad gegaan. Hij had er ruimschoots van geleefd en plezier mee gemaakt. Hij heeft vast veel vrienden gehad die allemaal wel wat van hem wilden. Ze profiteerden van hem. Tot het geld op was en hij niemand meer over hield. Hij kwam terecht in een varkensstal en was zelfs jaloers op het voer van de beesten. Dan komt hij tot zichzelf en krijgt berouw. Hij keert vol berouw terug naar huis. Naar huis, waar vader al op de uitkijk staat...

De vader wil de woorden van berouw niet eens horen. Hij heeft geen behoefte om hem te straffen, hij wil slechts vieren dat zijn zoon weer thuis is! En als zijn zoon voor hem neerknielt legt hij zijn handen op zijn rug. Kom maar kind, je bent welkom.

Zelfcompassie


Ik denk na over het schilderij, en over mezelf. Ergens durf ik misschien nog wel te geloven dat God mij ziet en aanvaardt en liefheeft zoals ik ben (ook al heb ik zwakke momenten, maak ik fouten en is zitten er best wat scherpe kantjes aan mijn karakter). Maar kan ik zo ook naar mezelf kijken? Zo mild, met ogen vol genade? In het boekje ‘omarm jezelf’ staat: ‘De strengste baas die we ooit zullen hebben zit in ons hoofd’. Ik herken het. Die innerlijke kritische, veroordelende stem die altijd om de hoek komt om mij af te straffen. Het tegenovergestelde van zelfcompassie. Herken jij dat? Dat je dingen denkt zoals:

  • Dat gaat mij nooit lukken!
  • Stommeling, waarom zeg ik dat nou ook?
  • Ik ben niet goed, leuk, aardig, vriendelijk genoeg.
  • Waarom heb ik niet beter mijn best gedaan?
  • Ik schiet tekort.
  • Ik had veel meer moeten doen.
  • Ze zien me aankomen...
  • Niemand zit op mij te wachten.
  • Ik ben lelijk.
  • Ik ben niet geestelijk genoeg.

Schuldgevoel


Het resultaat van een stevige innerlijke kritische stem is schuldgevoel. En je gaat nog beter je best doen om je beter voor te doen (ofwel: om je anders voor te doen dan je bent). Het gevolg daarvan is dat je gegarandeerd weer ergens faalt en je je nog schuldiger voelt. We hebben een strenge verwachting van onszelf waar we nooit aan gaan voldoen. We gaan gebukt onder onze eigen gemaakte hoge lat. We bedenken wat anderen van ons verwachten en proberen daar aan te voldoen. Je hebt geen last van wie je bent, maar van wie je van jezelf moet zijn.

Een tijdje terug las ik een verhaaltje:
‘Een boer gaat elke maand met zijn ezeltje naar de markt in de grote stad. Op een dag vraagt zijn zoon van tien of hij mee mag. De boer stemt toe, met enige twijfel, want het is best ver lopen. Hij pakt zijn ezel vol graan en gaat op weg. Eenmaal onderweg komt hij een vreemde tegen die hem aanspreekt: ‘Laat jij je zoon de lange weg naar de markt te voet afleggen? Waar heb jij een ezel voor?’ De boer trekt zich de kritiek aan en zet zijn zoon op de ezel. Een tijdje later komt er een vrouw op hen afgestormd: ‘Jij dierenbeul! Zo’n gewicht kan die ezel toch nooit dragen!’ De boer haalt zijn zoon van de ezel, zet hem op zijn schouders en vervolgt zijn weg. Als ze vlakbij de stad zijn komen ze een collega-boer tegen. Die zegt: ‘Hoe wil jij dat je zoon je voetsporen volgt? Als je hem zo verwent, leert hij nooit op eigen benen te staan.’ Nu is de boer boos. Hij zet zijn zoon weer naast hem op het pad en denkt: wat ben ik toch dom als ik denk iedereen tevreden te kunnen stellen.’

Vijand


Als je veel last hebt van die kritische innerlijke stem (waar ik niet je geweten mee bedoel overigens), dan kom je weinig aan zelfcompassie toe. Eigenlijk ben je een vijand van jezelf. Je slaat en straft jezelf steeds weer.

Nu is er een hele mooie manier om te voorkomen dat de vijand je slaat... Omarm hem! Als je je vijand omarmt kan hij je niet slaan!

Dat is het begin van zelfcompassie. Dat je jezelf omarmt met alles wat je doet en bent. De mooie en minder mooie kanten. De prachtige eigenschappen en alles wat je niet kunt uitstaan van jezelf. De mooie delen van je lichaam, maar ook die delen die je verfoeit.

Het is zoals het is. Het hoort er allemaal bij. In plaats van de te hoge irreële verwachtingen, de realiteit onder ogen zien. Het begint met een keuze. Een keus om te accepteren dat we niet perfect zijn in alle opzichten. Dat we goede en mindere kanten hebben. Dat we niet altijd en voor iedereen kunnen klaarstaan. Dat we grenzen hebben en beperkingen. Ofwel, maak een begin met jezelf te zijn, en niet de opgepoetste versie van jezelf.

Arrogant?

Ja, maar is het niet arrogant om zo naar jezelf te kijken en over jezelf te praten? Arrogantie is iets heel anders. Dan zet je jezelf boven die ander en vind je jezelf beter. Als jij met meer zelfcompassie met jezelf omgaat, zal dat ook compassie voor anderen bewerken. Want als jij jezelf kunt zien met fouten en gebreken, kun je die van een ander ook een stuk makkelijker accepteren.

Heb je naaste lief... als jezelf...

Omarm jezelf zoals God jou omarmt. Zoals de vader zijn thuisgekomen zoon omarmde. Je hoeft je niet te verantwoorden, je mag thuiskomen. Bij God en bij jezelf.


Wil je ook een kloosterweekend bijwonen? In het voorjaar van 2018 is er weer één. Kijk voor meer informatie op www.aandachtigleven.nu/weekenden
Het boek waar ik over schrijf is: 'Omarm jezelf' (Gijs Jansen). Het is een praktisch boek met opdrachten waardoor je zelf met het thema aan de slag kan.

woensdag 11 oktober 2017

Automutilatie van de ziel

Lunch

Eindelijk weer eens lunchen en bijpraten met m'n vriendin Anja vanmiddag. Het is veel te lang geleden, we hebben het allebei te druk gehad met andere dingen en onze vriendschap zwaar verwaarloosd. Ik hoef nog net de tom tom niet aan te zetten met het adres en zij vroeg laatst gekscherend om een recente foto.

In het kader van 'voor alles is een tijd' is het vanmiddag in ieder geval tijd voor vriendschap. En onder het genot van muntthee, een overheerlijke lunch en nog een kop koffie toe gaan we het er eens goed over hebben.Waarover? Over alles. Onze gezinnen, verbouwingen, persoonlijke welletjes en weetjes, de buurt, de kerk, het leven, hobby's, studie en nog net niet over het hiernamaals.

Leeftijdadequaat

We hebben het over hoe we in elkaar zitten, waarom we doen wat we doen, of juist niet en wat maakt dat je iets wel of niet doet. Ik ben tien jaar jonger, hoewel dat echt niet zo voelt (leeftijd is niet belangrijk tenzij je een kaas bent), en soms vraag ik me af of bepaalde worstelingen of twijfels niet gewoon bij een bepaalde leeftijdsfase horen.
Zoals Anja een paar jaar geleden, zo rond mijn veertigste heel overtuigd riep: Wat jij doet is gewoon helemaal leeftijdadequaat! Ik was op dat moment met vierentachtig dingen tegelijk bezig en had een niet oprakende bron van energie.

Maar vandaag twijfel ik aan het fenomeen 'leeftijdadequaat'. Ik hoor Anja namelijk ongeveer dezelfde kronkels maken als ik doe. Ik luister en zonder er verder al te veel bij na te denken zeg ik op een gegeven moment: 'Dat is gewoon zelfkastijding, automutilatie van je ziel!'

Automutilatie

We lachen er samen om. Dat relativeert in ieder geval. Dan vliegen we alweer naar een volgend onderwerp. Als ik Anja een paar uur later thuis afzet en zelf doorrijd naar huis denk ik er nog even over na.

Automutilatie is voor mij een oude bekende. Ik heb mijn lijf heel wat geweld aangedaan. Soms wordt automutilatie afgedaan als aandacht vragen. Ook dat zal best voorkomen, maar in mijn geval was het allerminst een roep om aandacht. Ik verstopte zorgvuldig verwondingen onder lange mouwen of lange broeken.

Terugkijkend op die tijd denk ik dat mijn innerlijke pijn zo groot, zo niet te verdragen was, dat ik iets anders moest voelen om mezelf af te leiden. Daarbij had ik mijn lichaam niet echt hoog staan en vond ik het niet erg als daar wat aan zou mankeren. Mijn lichaam had me zo vaak in de steek gelaten.

Dus, concluderend, beschadigde ik mezelf, deed ik mezelf pijn, om een andere pijn daarmee niet te hoeven voelen.

Jezelf geweld aan doen

Gelukkig ben ik al jaren krasvrij, zoals ik het zelf wel eens noem. Tenminste, lichamelijk. Door mijn pijn onder ogen te zien, herinneringen te verwerken, door een proces van vergeving te gaan en door de onvoorwaardelijke liefde van God en een aantal bijzondere mensen, waaronder Anja, had ik het op een gegeven moment niet meer nodig om lijfelijke pijn te voelen. Deels was dat een keus die ik maakte, een besluit dat ik nam, en deels (misschien wel het grootste deel) kwam het doordat de innerlijke pijn afnam en te dragen werd.


Goed, geen automutilatie meer op mijn lijf. Maar hoe zit dat met mijn ziel? Even terugdenkend aan de afgelopen jaren en aan mijn blogs van de laatste tijd, moet ik tot mijn schaamte bekennen dat ik mezelf, mijn ziel, met regelmaat geweld aandoe. Wat ik daarmee bedoel? Dat ik mezelf voorbij loop omdat ik de ander niet wil teleurstellen. Dat ik ontrouw ben aan mezelf omdat ik bang ben wat een ander van mij zal vinden als ik echt zeg wat ik ervan denk. Dat ik blij doe terwijl ik me boos of gefrustreerd voel.

Wat ik eigenlijk doe is: Ik kies voor iets dat niet goed voor me is (of dat zelfs pijn doet) omdat ik bang ben voor wat er gebeurt als ik echt mezelf ben. Misschien raak ik iedereen wel kwijt, vindt men mij raar, word ik afgedankt als therapeut of gezinshuisouder of hoor ik er niet meer bij (bij de kerk, bij mijn studiegenoten, bij de moeders op het schoolplein of in de buurt).

Automutilatie van de ziel... en nee, dat is niet leeftijdadequaat... dat moet stoppen!

Houd van jezelf

De laatste dagen heb ik diverse keren gedacht aan de uitspraak: 'Heb je naaste lief als jezelf'.  Ik heb in mijn online Bijbel gezocht en kwam verrassend genoeg acht keer deze uitspraak tegen! Het is dus geen loze opmerking die we naast ons neer kunnen leggen.
  • Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je door je te wreken of wrok te blijven koesteren. Heb je naaste lief als jezelf. (Leviticus 19:17-18)
  • Jezus antwoordde: ‘Waarom vraag je me naar het goede? Er is er maar één die goed is. Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan zijn geboden.’ ‘Welke?’ vroeg hij. ‘Deze,’ antwoordde Jezus, ‘pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’ (Matteüs 19:17-19)
  • ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf(Matteüs 22:36-38 en dezelfde woorden staan in Marcus 12:30-31 en in Lucas 10:26-27)
  •  Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ (Romeinen 13:8-9)
  • Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, want de hele wet is vervuld in één uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ (Galaten 5:13-14)
  • Wanneer u echter het koninklijke gebod volbrengt dat de Schrift geeft: ‘Heb uw naaste lief als uzelf,’ dan handelt u juist. (Jacobus 2:8)
Ergens is er scheefgroei ontstaan. Ergens, misschien wel onder invloed van het calvinisme, is de nadruk komen te liggen op: Heb je naaste lief, acht de ander uitnemender dan jezelf, ga de onderste weg, wees de minste en dat soort uitspraken die uit dezelfde Bijbel komen.

Een tijdje terug las ik een opmerking die me aan het denken zette: 'Als we het eens zouden omdraaien, wat zou er dan gebeuren? Als we eens net zo met anderen omgaan als dat we met onszelf omgaan?' Tja, dan zou het er voor de mensen in mijn directe omgeving behoorlijk slecht uit komen te zien op sommige dagen.

Het ei

God roept ons op om net zoveel van onszelf te houden als dat we van de ander houden. Niet meer en niet minder. Het mag in balans zijn. Dat doet mij denken aan het 'ei van autonomie en verbondenheid' dat ik in bijna alle gesprekken in mijn praktijk gebruik.

Ieder mens heeft twee fundamentele behoeften:
Autonomie (de behoefte je te ontwikkelen, zelf keuzes te maken, je eigen weg te bewandelen) en verbondenheid (in relatie leven met anderen, van betekenis zijn, geliefd zijn).

'Heb je naaste lief als jezelf' is verbondenheid en autonomie in balans.

Echter, de praktijk is dat er bij bijna iedereen scheefgroei ontstaat. En scheefgroei brengt onbalans met zich mee. Er zijn grofweg twee types scheefgroei:

1. De behoefte aan verbondenheid is heel groot geworden. Deze mensen zijn vooral bezig met: Hoe kan ik zo leven dat de ander het naar zijn zin heeft? Bij keuzes die ze maken kijken ze naar wat voor de ander goed is en zichzelf cijferen ze vaak weg. Vaak hebben hulpverleners zo'n 'ei'. Ik heb zelf ook zo'n ei. En ik denk dat jij wel mensen kunt bedenken die overduidelijk zo'n ei hebben.
2. De behoefte aan autonomie is duidelijk groter dan de behoefte aan verbondenheid. Dit zijn mensen die doorgaans goed weten wat ze willen, niet twijfelen, hun mening helder hebben, doelgericht zijn en keuzes maken waar ze zelf voor de volle 100% achter staan.

Balans

Voor beide eieren is wat te zeggen, ze hebben allebei voordelen, maar in beide gevallen kun je zeggen dat de balans verstoord is. Bij de één is het: 'Heb je naaste meer lief dan jezelf' en bij de ander is het: 'Heb jezelf meer lief dan je naaste'.

Zo'n verstoorde balans ontstaat al in het gezin van herkomst en eerlijk is eerlijk, helemaal in balans zul je wellicht nooit komen. Maar het is wel mogelijk om iets meer in balans te komen. Hoe je dat doet? Dat is voor beide eieren verschillend.

In het geval van het eerste ei (dus meer verbondenheid dan autonomie) zul je jezelf vaker de vraag moeten stellen: Wat wil ik? Wat vind ik hiervan? Waar heb ik behoefte aan?
De vraag klinkt makkelijk maar is voor mensen met zo'n ei soms erg lastig. Misschien kunnen ze het nog wel bedenken, maar het dan ook uitspreken of doen... dat zou wel eens kunnen beteken dat je die ander teleurstelt! Dat klopt, dat gaat ook gebeuren, maar dat is niet rampzalig (ook al voelt dat in het begin misschien wel zo). Elke keer als je gehoor geeft aan jezelf, aan wat jij wilt of nodig hebt, vergroot je de autonomie een heel klein beetje.  En uiteindelijk voel je je een completer mens.

In het geval van het tweede ei (meer autonomie dan verbondenheid) zul je jezelf vaker de vraag moeten stellen: Hoe is het voor de ander? Wat vindt die ander ervan? Wat heeft het voor gevolgen voor de ander? Deze vraag is voor de verbonden eieren gemakkelijk te beantwoorden, maar voor de autonome eieren kost dat inspanning en moeite. En misschien geeft het ook wel wat weerstand, want soms zul je dus iets van  jouw plan moeten inleveren om die ander meer tot zijn recht te laten komen. En toch levert het ook iets op: meer verbondenheid, intensere relaties.

Herstel

Ik noemde net al dat mijn behoefte aan zelfbeschadiging stopte toen mijn innerlijke pijn er mocht zijn en herstelde. Als ik kijk naar de uit balans geraakte eieren hierboven is er in beide gevallen sprake van zelfbeschadiging. De ene beschadigt zichzelf en raakt zichzelf steeds meer kwijt. De ander beschadigt zichzelf doordat hij steeds meer in een isolement komt.

Er is herstel nodig. En gelukkig kan dat. Wat mij betreft begint het herstel bij bewustwording. Dus jezelf vaker de vragen stellen die ik hierboven opschreef. Kijk ook eens terug naar je gezin van herkomst. Hoe was het thuis? Wat voor eieren herken je bij je ouders? Wat was de cultuur waarin je groot werd? Wat was er belangrijk?

Je bent nu volwassen en je kunt veranderen. Door keuzes te maken, door risico's te nemen en... dat zeg ik tegen hen die net als ik geloven in God... door te vragen of je steeds meer mag gaan lijken op je Schepper. Dat je eigenwaarde niet langer afhangt van de waardering van anderen, maar dat je mag weten dat je geliefd bent, dat je er mag zijn, in relatie met God, jezelf én anderen. In balans.

Verwacht niet dat het in één keer goed gaat. Stoppen met automutilatie is een proces. Soms is er een terugval, soms gaat het tijden goed. Maar geen probleem, je kunt het altijd weer opnieuw proberen.

Ik wens je succes met oefenen en ben benieuwd in welk ei jij jezelf herkent...