Posts tonen met het label Frank Viola. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frank Viola. Alle posts tonen

zondag 19 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... Toch? (3)

Uit

Ik heb hem uit. Het boek ‘Zo zijn onze manieren’ van Frank Viola en George Barna. In twee eerdere blogs heb ik wat punten uit het boek aangestipt. Je kunt ze teruglezen op:
http://judithstoker.blogspot.nl/201...

http://judithstoker.blogspot.nl/201...

Onderwerpen


Het boek gaat in op tal van onderwerpen die voor ons, protestantse christenen, veelal vanzelfsprekend en traditie zijn geworden. We hebben ons aangesloten bij een kerk of gemeente en zonder er verder bij na te denken gaan we mee in alle gewoonten en gebruiken. In het boek wordt grondig onderzocht hoe dingen ontstaan zijn, welke invloeden hierbij van belang waren en wordt er ook gekeken of zaken ook terug te vinden zijn in de bijbel.

Ik zou het boek tekort doen, én ik zou onnodige discussies uitlokken, als ik op ieder onderwerp zou ingaan. Maar ik wil toch wat punten noemen die mij aan het denken hebben gezet, of die mijn soms wat vage gevoel van ‘klopt dit eigenlijk wel’ bevestigden.
  • Het kerkgebouw (hierover schreef ik in de eerste blog)
  • De liturgie (hierover schreef ik in de tweede blog)
  • De preek: De heiligste koe van het protestantisme. In onze diensten is de preek centraal komen te staan. Dat het woord van God verkondigt moet worden, is absoluut een bijbels gegeven. Maar de hedendaagse ‘kanselpreek’ is niet hetzelfde als de verkondiging en het onderwijs dat we in de bijbel tegenkomen. De preek is een voortvloeisel van de Griekse retoriek en de gemeente wordt door het centraal stellen van de preek gereduceerd tot een groep zwijgende toeschouwers. De preek brengt het functioneren van het lichaam van Christus tot stilstand en maakt mensen passief. Waar we in o.a. 1 Korinthe 12-14 worden aangemoedigd om onze mond open te doen legt de preek de gelovigen het zwijgen op. Bovendien maakt de preek van een dominee of spreker een geloofsspecialist en worden de ‘gewone gemeenteleden’ als tweederangs gelovigen afgeschilderd.
  • De voorganger/dominee. Een merkwaardig verschijnsel dat vanaf de tweede eeuw ontstaan is. De eerste-eeuwse kerken waren godsdienstige groepen zonder priester, tempel of offers. De christenen zelf leidden de kerk onder het directe leiderschap van Christus. Er waren weliswaar oudsten (herders of opzieners). Deze mannen waren allemaal gelijk. Er bestond geen hiërarchie onder hen.
  • Zondagse kleding/kleding voor predikanten. Ik wil er niet teveel over zeggen, maar slechts een stukje uit het boek citeren: ‘De Heer Jezus en zijn discipelen gaven niets om speciale kleding om indruk te maken op God of zich te onderscheiden van het (gewone) volk van God. Het dragen van speciale kleding uit godsdienstige overwegingen was eerder een kenmerk van de schriftgeleerden en farizeeën. Jezus zei hierover: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden’ (Lucas 20:46)’
  • Muziekleiders: Geestelijken met een muzikale missie. Overigens... nogmaals wil ik benadrukken dat muzikanten, aanbiddingsleiders, koren, zangers en noem maar op, niet fout zijn! Zeker niet, God eren met zang en muziek, met dans, met ons hele lichaam, dat is waar we toe opgeroepen worden al vroeg in het oude testament! Waar het in de context van dit boek over gaat is wederom het éénrichtingsverkeer. De schrijvers van het boek zeggen treffend: ‘Wanneer aanbiddingsliederen alleen aangekondigd, ingezet en geleid kunnen worden door degenen die daar talent voor hebben, wordt dit onderdeel van de dienst meer een kwestie van vermaak dan van gezamenlijke aanbidding.’ Nu zou je kunnen aanvoeren dat er in het oude testament toch ook al Levieten waren die de aanbidding leidden. Dat klopt inderdaad, maar wij leven in de periode van het nieuwe testament waarin wij allen priesters zijn en Christus onze Hogepriester is. (Hebr. 5-7 en 1 Petrus 2:5 en 9).
  • Tienden en het salaris van geestelijken. Ook over dit onderwerp is veel te zeggen en mijn advies is om eens te lezen wat de schrijvers van dit boek daarover hebben uitgezocht. Ik zal slechts een paar zinnen citeren: ‘Het geven van tienden is bijbels, maar niet christelijk. Jezus Christus heeft het Zijn discipelen niet geleerd. Het geven van tienden wordt in het nieuwe testament vier keer genoemd, maar in geen van die gevallen betreft het christenen. Wat niet wel zeggen dat de nieuwtestamentische gelovigen niet vrijgevig waren! Integendeel.’
  • De doop en het Avondmaal. Geen discussie over kinder- of volwassendoop in dit boek, maar wel een nadenkertje over het ‘tijdstip’ van dopen. Geen lange aanloop naar de doop, maar de doop als bevestiging van een openbare geloofsbelijdenis. Waar wij het ‘zondaarsgebed’ in sommige kringen kennen, was het in de eerste eeuwen gebruikelijk om na het belijden van je geloof ook direct gedoopt te worden. Een mooi getuigenis. Over het Avondmaal worden ook mooie dingen gezegd. Als ik het lees dan zou ik willen dat ik even terug kon in de tijd en eens zo’n Avondmaal van die eerste christenen zou mogen mee beleven. Want een belevenis, dat was het! Een zin uit het boek (die van mij had kunnen zijn, want dit denk ik zo vaak als we Avondmaal vieren): ‘De traditie heeft het Avondmaal teruggebracht tot een tongstrelend vingerhoedje druivensap en een klein, smakeloos stukje matse. De sfeer waarin we dit ‘vieren’ is vaak plechtig.’ Tja, ik kan er niets aan doen maar ik toch een heel ander beeld bij ‘vieren’.
  • Christelijk onderwijs. Dit hoofdstuk gaat over theologische studies, bijbelscholen, zondagsscholen en allerhande christelijke opleidingen. Er is niets mis met zulk onderwijs mits je de mensen die het gevolgd hebben maar geen bijzondere geestelijke status toebedeelt. ‘Mensen met veel bijbelkennis, een hoge intelligentie en een messcherp denkvermogen zijn niet automatisch geestelijke mensen die Jezus Christus werkelijk kennen en aan anderen een levensveranderende openbaring van Hem kunnen doorgeven.’

Moet dit nu echt...


Er staan nog twee hoofdstukken in het boek die een goede uitleg geven over hoe we het nieuwe testament kunnen lezen (in plaats van het betere knip- en plakwerk wat we nu vaak doen, teksten zoeken bij een onderwerp en de context vergeten), en over Jezus, de revolutionair.

Ik snap dat mijn blogs over dit boek irritatie en misschien wel boosheid oproepen. ‘Waarom moet het allemaal weer anders?’ zei iemand die mijn blog gelezen had. Ik weet niet of het per se anders moet. Als de zondagse samenkomst voor jou het hoogtepunt van kerk-zijn is en je ervaart dat je erdoor opgebouwd wordt, dat je relatie met God zich verdiept en dat je samen met je medegelovigen het lichaam van Christus op aarde bent, dan weet ik niet of dit boek aan jou besteed is.

Als je, net als ik, onvrede ervaart met de huidige vorm van kerk zijn, waarbij het hoogtepunt de zondagse dienst is, dan zou dit boek een aansporing kunnen zijn om op zoek te gaan naar hoe gemeente zijn bedoeld is. Iemand anders schreef onder mijn vorige blog heel treffend dat het niet per se gaat om de zondagse diensten, maar veel meer de vorm van gemeente zijn door de hele week heen. Daar ben ik het mee eens. Als we de zondagse samenkomsten zouden aanpassen maar er verder niets zou veranderen in onze manier van christen zijn, zou het zinloos zijn.

De kerk, dat ben jij, dat ben ik. Allemaal vertegenwoordigen we een stukje van het lichaam van Christus. Dat zit hem niet in de genootschap waarbij je op de lijst staat als lid of vriend of deelnemer. Dat zit hem er alleen maar in dat we Christus volgen en dat we Zijn alles overtreffende en alles omvattende liefde mogen doorgeven aan een wereld die liefde tekort komt.

Tenslotte


Ik sluit af met een laatste citaat uit het boek. Ik daag jullie uit dit boek te lezen, erover na te denken en er misschien eens met anderen van gedachten over te wisselen. Laten we met elkaar zoeken naar een manier van kerk zijn die Christus recht doet!

‘Aan het eind van dit boek is onze hoop drieledig: In de eerste plaats hopen we dat je vraagtekens zult zetten bij de kerk zoals je die op dit moment kent. In hoeverre is ze werkelijk bijbels? In hoeverre geeft ze uiting aan het absolute leiderschap van Jezus Christus? In hoeverre laat ze de leden van haar lichaam vrij om te functioneren? In de tweede plaats hopen we dat je dit boek zult delen met elke christen die je kent, zodat ook zij door deze boodschap kunnen worden uitgedaagd. En in de derde plaats hopen we dat je ernstig zult bidden over de vraag hoe je op deze boodschap zou moeten reageren.’

'Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust.' (Jeremia 6:16)

zondag 12 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... Toch? (2)

Reacties

Mijn vorige blog n.a.v. het boek 'Zo zijn onze manieren' riep best wel wat reacties op. Reacties van herkenning. Mensen die dezelfde vragen hebben als ik, die een bepaalde onvrede ervaren als het gaat om de manier waarop de kerk zich gevormd heeft.  Die zich afvragen waarom we doen wat we doen tijdens de zondagse samenkomst.
Er waren ook mensen die hier en daar wat kritische kanttekeningen plaatsten. Onder de blog of in privé berichtjes. Fijn, want ook die reacties helpen mij in mijn zoektocht.

Wat ik, voordat ik verder schrijf, voorop wil stellen is dat mijn blogs niet bedoeld zijn als aanklacht tegen de kerken en gemeenten zoals wij die kennen. Het feit dat we op zondag naar een samenkomst kunnen gaan, of zelfs naar meerdere, dat we in vrijheid samen mogen komen, is een zegen en een voorrecht. En zeker ook een goede gewoonte. Deze blogs zijn veel meer een wikken en wegen van mijn kant om erachter te komen hoe ik mijn leven als christen vorm wil geven en wat het dan betekent dat ik onderdeel ben van een grote groep gelovigen wereldwijd, ook wel 'kerk' genoemd.

De zondagse samenkomst

Afgelopen week ben ik verder gegaan in het boek 'Zo zijn onze manieren'. In hoofdstuk drie wordt aandacht besteed aan hoe de zondagse eredienst of samenkomst er in de meeste gevallen uitziet en hoe deze door de tijd heen zijn vorm heeft gekregen.

In de meeste kerken en gemeenten (van oud gereformeerde gemeenten tot pinkstergemeenten) zijn er een aantal onderdelen die in de zondagse dienst terugkomen (soms in een andere volgorde):
  • Begroeting
  • De zangdienst (in één blok of verdeeld over de dienst)
  • De mededelingen
  • De collecte
  • De preek gevolgd door een activiteit (bijvoorbeeld het avondmaal, gebed, oproep, zingen van een lied)
  • Zegen
Deze wat statische vorm van samenkomen is langzaam maar zeker ontstaan en haar voornaamste wortels liggen in de middeleeuwse, katholieke mis die door Gregorius de Grote (540-604) zijn vorm heeft gekregen.

Het bizarre is dat de mis een mengeling was van heidense en Joodse rituelen en dat hij doordrenkt was van het heidens-magisch denken en vol invloeden uit het Griekse denken. De latere katholieke mis die in de zestiende eeuw ontstond was ten diepste heidens. Kledij van heidense priesters, het gebruik van wierook en wijwater bij reinigingsrituelen, het branden van kaarsen tijden de dienst, kerkgebouwen volgens de architectuur van de Romeinse basilieken, de Romeinse wetgeving als basis voor het 'canoniek recht' (Pag. 100).

Toen de protestantse kerken ontstonden kwam de kansel, niet het altaar zoals in de katholieke kerk, centraal te staan. De preek werd het hoogtepunt van de protestantse dienst. Het boek beschrijft de invloeden van de diverse reformators en bewegingen. Daar wil ik verder hier niet op in gaan.

Wat ik mooi vind in het boek is dat de schrijver op pagina 129 zegt:
'Het is duidelijk dat het protestantse verloop van de eredienst niet bij de Heer Jezus, de apostelen of de geschriften van het Nieuwe Testament vandaan komt. Op zich maakt dat de liturgie nog niet verkeerd. Het betekent alleen dat een Bijbelse basis ontbreekt. Het is een feit dat we in onze cultuur veel dingen doen die een heidense oorsprong hebben. Denk aan de kalender die we gebruiken. De dagen van de week en de maanden van het jaar zijn naar heidense goden vernoemd. Maar door het gebruik van deze algemeen aanvaarde kalender zijn we nog geen heidenen.'

Er zijn echter wel een paar dingen de moeite waard om over na te denken als we kijken naar de huidige vorm van onze samenkomst. Ik vat ze hier samen (Pag. 130-132):
  • De protestantse liturgie beperkt de wederzijdse participatie en de groei van de christelijke gemeenschap. Het lichaam van Christus wordt bekneld doordat de gemeenteleden moeten zwijgen. Je kunt niet door andere leden van het lichaam worden verrijkt en je kunt anderen ook niet verrijken. Dit in tegenstelling tot de 'ieder heeft iets' bijeenkomsten waar we van lezen in de brieven van Paulus. 
  • De protestantse liturgie ondermijnt het leiderschap van Jezus Christus. De hele dienst wordt door één persoon geleid. Waar is de vrijheid die de Heer Jezus heeft om naar eigen believen door Zijn lichaam te spreken? Waar in de liturgie kan God een broeder of zuster een woord geven om dit te delen met de hele gemeente?  Jezus Christus heeft geen vrijheid om Zichzelf door Zijn lichaam te uiten wanneer en hoe Hij dat wil. Ook Hij is tot een passieve toeschouwer gereduceerd. Het lichaam van Christus wordt lamgelegd door de protestantse liturgie. Het wordt één grote tong (soms twee of drie) met een heleboel kleine oren. 
  • De zondagse eredienst is voor veel christenen saai, voorspelbaar, plichtmatig en routinematig. Ook in meer evangelische gemeenten waar een breed arsenaal van moderne media en drama is is er nog steeds sprake van een dienst die onder controle is van de voorganger, is er nog steeds sprake van een liedsandwich en zijn de gemeenteleden zwijgzame toeschouwers. 
  • De protestantse liturgie bevordert passiviteit, belemmert het functioneren van het lichaam van Christus en is zo een belemmering voor geestelijke groei. We groeien namelijk door te functioneren, niet door passief toe te kijken en te luisteren.

Hoe dan wel? 

Het is eenvoudig om te kijken naar wat er allemaal niet Bijbels verantwoord is en wat er aan heidense gebruiken is ingeslopen in de loop van de tijd. Maar hoe zou je een zondagse samenkomst dan wel vorm kunnen geven? Het boek geeft daar geen uitgebreid antwoord op. Ik heb me laten vertellen dat Frank Viola daar in een ander boek verder op in gaat. Toch geeft hij wel een voorbeeld van een levendige samenkomst onder het leiderschap van Christus die Frank zelf bezocht heeft. Een bijeenkomst waarin een dertigtal mensen bij elkaar komt en waarin er door verschillende gemeenteleden een bijdrage wordt geleverd zonder dat daar vooraf een structuur in is aangebracht.

Passiviteit

Hoewel het voor mij nog niet helder is hoe je dat dan organiseert en hoe je een groep gemeenteleden dan bij elkaar krijgt zonder weer te verzanden in alweer een nieuwe beweging of kerk, is voor mij in dit hoofdstuk wel duidelijk geworden dat het 'passieve' deelnemen aan, of beter gezegd: toeschouwen van de dienst niet bijdraagt tot een verfrissend, bloeiend geestelijk leven. En dat herken ik wel bij mezelf. Dat ik soms naar de dienst ga en zo graag een lied zou willen zingen omdat mijn hart daar al dagen vol van is, en dat we dan liederen zingen die ook prima zijn, maar niet aansluiten bij waar ik op dat moment zit.

Een ander voorbeeld waarin de passiviteit mij enorm stoorde was een dienst een paar jaar geleden. De spreker had het over 'vergeving'. Aan de hand van een bijbelgedeelte riep hij op om vooral te vergeven als een ander je iets had aangedaan. Het was een kort-door-de-bocht preek en wat mij betreft een halve waarheid. Ik luisterde met pijn in mijn hart voor al die mensen die met heftige trauma's in de dienst zaten en aan wie nog nooit om vergeving gevraagd was door de dader. Mensen misschien nog midden in hun verwerkingsproces. De spreker beëindigde zijn preek, sloot af met een gebed en daarna was er avondmaal. Ik zag een vrouw opstaan en huilend de zaal verlaten. Ik kende haar en wist dat deze preek haar pijn had gedaan. Het had haar niet dichter naar Jezus gebracht. En ik kon er niets aan doen. Ik kon het niet nuanceren. Degene die het avondmaal leidde bedankte de spreker voor zijn mooie en ware woorden. Mijn maag draaide zich om.

Levende stenen

Het effect van de protestantse liturgie. Wil ik daar echt aan mee doen? Ik denk aan de tekst uit 1 Petrus 2:4-5 en12 waar staat:

Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn....
Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken.


Dat is zo mijn verlangen dat ik, midden in een wereld die God niet meer kent, een levende steen kan zijn. Een steen waar mensen op kunnen bouwen en waar ze Gods liefde doorheen kunnen zien. Natuurlijk is het dan goed om ook de andere stenen van die geestelijke tempel te ontmoeten, maar de vraag is of de zondagse dienst in zijn huidige vorm daar de meest ideale plek voor is. 

Ik ga verder met lezen en ben benieuwd naar het vervolg. 

zondag 5 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... toch? (1)

Naar welke kerk ga je?

Jarenlang was 'Kerk aan de keukentafel' mijn favoriete boek over gemeente-zijn met elkaar. Hans Groeneboer, de auteur van dit boek, beschrijft in dit boek dat kerk zijn niet gaat over een systeem of een gebouw maar over relaties. Dat sluit aan bij wat ik in Handelingen lees over hoe de volgelingen van Jezus met elkaar gemeente zijn. 

En toch... in de praktijk zie ik dat christen zijn vooral gekoppeld is aan deze vragen: 
  • Naar welke kerk ga je? 
  • Ben je actief in de gemeente? (Welke taak heb je in de gemeente?)
Die eerste vraag is de standaard vraag als mensen erachter komen dat je gelovig bent. De tweede vraag wordt vooral gesteld door christenen die elkaar bevragen. Let maar eens op de komende tijd. Als je een onbekende ontmoet en je komt er toevallig achter dat diegene ook christelijk is (je ziet een kruisje om iemands nek, je vangt een gesprekje op, je hoort een moeder tegen haar zoontje zeggen dat hij zondag niet mag afspreken, iemand bidt voor het eten), is het een super voor de hand liggende vraag om te stellen: 'Hé, ben je ook gelovig? Dat wist ik niet. Naar welke kerk ga je?'

Die tweede vraag, daar betrap ik mezelf vaak op. Als ik mensen in mijn praktijk ontmoet, dan vraag ik wat hun overtuiging is en of ze bij een kerk of gemeenschap horen. Bijna standaard vraag ik daarna: 'Hoe betrokken ben je, doe je er ook iets?'

Belachelijke vraag, al zeg ik het zelf. Ik ga hem schrappen. Ik kan beter vragen: 'Heb je steun aan je geloof en je geloofsgenoten?'

Uit mijn dagboek...


Sinds een paar maanden houd ik digitaal een dagboek bij. Gewoon voor mezelf en ook als bron om uit te putten voor blogs en boeken die ik nog wil schrijven. Ik zal wat zondagse stukjes citeren: 

Zondag 13 augustus

Ben ik wel een goed christen? Soms vraag ik me dat af. Het is zondag, en op zondag hoor je naar de kerk te gaan. Maar ik kan mezelf er niet toe zetten. Ik ben al een paar weken niet geweest en ik mis het ook niet. Ligt dat aan mij, of aan de kerk? Ik heb niet het idee dat mijn relatie met God lijdt onder mijn zondagse verzuim. Juist de afgelopen weken, waarin ik alle tijd had omdat ik vakantie had, heeft mijn geloofsleven nieuwe impulsen gekregen. Ik heb het Lucas evangelie gelezen en ben opnieuw onder de indruk van het doen en laten van Jezus geraakt. Ik heb me verdiept in de Psalmen en kijk er dagelijks naar uit om verder te lezen. In mijn vakantieboekje ‘Vier de zomer’ heb ik negen dagen lang gewerkt, gekleurd, gebedspunten opgeschreven en daar gedurende de volgende dag steeds voor gebeden. 


Wat is dat toch met de kerk? Waarom staat het me zo tegen? Over Jezus las ik dat Hij het liefst iedere dag in de Synagoge was om te onderwijzen. Tja, misschien is dat het wel. Het passieve, het consumeren, het zingen van liederen die net niet helemaal zeggen wat ik tegen God zou willen zeggen, het zondag in, zondag uit luisteren naar een preek waar ik lang niet altijd handen en voeten aan kan geven de rest van de week. Maar als christen zou ik toch juist warm moeten lopen voor dit soort samenkomsten? Misschien ben ik verwend omdat ik in Nederland woon. Er is geen nood aan de man, we hebben elkaar niet echt nodig als kerk, er is geen vervolging, ik lijd geen armoede, kan als ik zou willen duizenden online preken beluisteren, de hele dag aanbiddingsmuziek draaien en bidden doe ik het liefst alleen. 


Kom je iets tekort als je kerkloos bent? Ik betwijfel het. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat we als gelovigen aan elkaar gegeven zijn om elkaar te bemoedigen, scherp te houden, te steunen.

Misschien is mijn vraag wel in welke vorm je dat moet gieten. En, hoe je dat kunt doen, midden in een samenleving die steeds meer God-loos wordt. Ik wil graag een verschil maken. Laten zien wat het betekent en hoeveel meerwaarde het heeft als je gelovig bent. Dat verschil wordt beter zichtbaar in een omgeving waarin gelovigen en ongelovigen samen leven. In je buurt, op de sportvereniging (waar ik overigens geen lid van ben), op de opleiding, met collega’s. Dat verschil wordt niet zichtbaar in een samenkomst met gelijkgestemden (aan de buitenkant dan, want binnen de kerk is maar al te veel ruzie over zaken die er niet toe doen). 


Blijf ik toch zitten met het fenomeen kerk. Wil ik me er niet te makkelijk vanaf maken? Heb ik niet gewoon bindingsangst? Wil ik niet onder gezag staan? Genoeg stof tot nadenken en mezelf kritisch onder handen nemen.

Zondag 20 augustus
Tijd is een raar fenomeen. Opeens is het alweer zondag. Weer de afweging wel of niet naar de kerk. Makkelijke keus vandaag, we hebben een logé en meer dan de helft van het gezin ligt om half tien nog te slapen. Ook geen livestream vandaag, want mijn hoofd is meer dan verzadigd met prikkels. Gewoon een rustdag dus vandaag. Precies zoals het bedoeld is. Zes dagen bezig zijn, één dag rust. Welke dag dat dan ook is. 


Ik ben nog altijd blij dat het scheppingsverhaal stopte na zeven dagen. Ik denk dat het me meer hoofdbrekens had gekost als er had gestaan: ‘God zag dat de mensen behoefte hadden om wekelijks samen te komen. Dus schiep Hij de kerk. Het was avond geweest, de achtste dag.’ De kerk, en al helemaal hoe wij hem vormgeven, is pas later ontstaan. 

Zondag 10 september

Weer zondag, geen geldige excuses, iedereen thuis, dus… we gaan naar de kerk. Met z’n allen. De jongste pleegzoon moppert even en probeert nog een pleidooi te houden over dat twee uur te lang is. Of ik wel weet dat hij een uur in de auto onderweg naar vakantie al bijna niet volhoudt. Ja, dat weet ik, maar ergens klopt er iets niet. Want twee uur achter de computer mine craft spelen is geen enkel punt. Volgens pleegzoon komt dat omdat hij dan op zijn knieën kan zitten. Ik ben niet overtuigd, dus om vijf over half tien zitten we in de auto. 

....(Het relaas van de kerkdienst bespaar ik jullie.)...

Ik ben licht chagrijnig. Wat is de toegevoegde waarde van deze twee uur kerkbezoek? Ik kom er niet uit met mezelf. Is het dan puur de gewoonte die je naar de kerk laat gaan? Net zoals je drie keer op een dag moet eten? Maar dat heeft een functie, want door de voedingsstoffen die je binnen krijgt blijf je energiek. Bepaald energiek of enthousiast heeft de dienst me niet gemaakt. Moet ik misschien met een andere insteek naar de kerk gaan? Niet om er iets te halen, maar om er iets te brengen? Maar wat dan? Ik parkeer mijn gedachten over de kerk. Vanmiddag ga ik lekker in m’n boek lezen en hier en daar wat opruimen. Er komen vast nog genoeg zondagen om er verder over na te denken.

Zo zijn onze manieren


En dan kom ik op facebook een boek tegen: 'Zo zijn onze manieren' (Frank Viola). De omschrijving van het boek trekt me wel: 

Heb jij je wel eens afgevraagd waarom we op zondag in de kerk doen wat we doen? Waarom trekken we zondagse kleren aan? Waarom is die preek zo belangrijk? Waar komen kerktorens, kerkbanken, kansels en koren vandaan? Waar in de Bijbel heeft God ons bevolen op deze wijze bij elkaar te komen?

Het lijkt me een leuk boek om op de huiskring van de kerk te bespreken. Maar helaas... er wordt een andere keus gemaakt. Geen probleem, ik schaf het zelf aan en ga het lezen. Al tijdens de inleiding ben ik meteen nieuwsgierig naar het vervolg van het boek, namelijk hoe gemeente zijn dan wel bedoeld is en hoe je dat kan vormgeven. Maar voor nu ben ik vooral nieuwsgierig naar wat de auteur te zeggen heeft over hoe we onze hedendaagse kerk vorm hebben gegeven. 

Ik lees de eerste twee hoofdstukken in één adem uit. Ik ga geen samenvatting geven van het boek (daar zou ik het tekort mee doen) maar een paar dingen die ik opvallend vind wil ik noemen: 

  • Het oude Jodendom draaide om drie elementen: de tempel, het priesterschap en het offer. Toen Jezus kwam, maakte Hij aan alle drie een einde, omdat Hij van alle drie de vervulling was. Hij is de tempel die tot uitdrukking komt in een nieuw en levend huis dat 'zonder handen' is gemaakt van levende stenen. Hij is de priester die een nieuw priesterschap heeft ingesteld. En Hij is het volmaakte en voltooide offer. (Pag. 50)
  • Nergens in het Nieuwe Testament vinden we de termen 'kerk (ekklesia), tempel of huis van God' met betrekking tot een gebouw. In elk van de 114 gevallen dat het woord ekklesia wordt gebruikt, heeft het betrekking op een verzameling mensen. (Pag. 52)
  • Sinds Christus is opgestaan, zijn wij - de christenen- de tempel van God. (Pag. 54)
  • Tot het jaar 300 (ongeveer) kwamen christen samen in huizen. Naarmate de gemeenschappen groeiden werden hun huizen aangepast. Er werden grotere woonkamers gecreëerd waardoor ongeveer 70 mensen in huis terecht konden. (Pag. 56)
  • Een kerkgebouw is niet ontworpen voor vertrouwde omgang of gemeenschap met elkaar... De banken of stoelen staan zo dat ze naar de kansel opkijken...Het maakt functionerende christenen tot tribuneklanten die alleen zitten en consumeren...De architectuur benadrukt de gemeenschap tussen God en Zijn volk via de voorganger! (Pag. 86)
  • Er bestaat geen greintje Bijbelse onderbouwing voor het kerkgebouw. Toch betalen veel christenen elk jaar veel geld om hun stenen en beton te heiligen. Daarmee houden ze een kunstmatige setting in stand die hen passief maakt en hen belemmert om op een natuurlijke en persoonlijke manier met andere gelovigen om te gaan. (Pag. 88)

Kritiek


De komende tijd hoop ik verder te lezen in het boek en een serie blogs te schrijven waarvan deze de eerste is. Niet om de bestaande kerken af te branden of om ongezouten kritiek te leveren. Dat is te makkelijk en breekt alleen maar af. Ik wil graag antwoorden krijgen op mijn vragen en hoop dat ik in mijn leven een echt onderdeel mag zijn van de kerk. Een deel van het lichaam van Christus dat Hem vertegenwoordigt op aarde. 

Het menselijk lichaam is één geheel, maar het bestaat uit veel delen. 
En al die verschillende delen vormen samen dat ene lichaam. 
Net zo vormen wij samen één lichaam, want we horen allemaal bij Christus.... 
Zo is het ook met jullie. 
Jullie vormen samen één kerk, ieder van jullie hoort erbij. 
Want jullie horen allemaal bij Christus. 
(1 Kor. 12:12 en 27)